Houten loods (Wijk bij Duurstede).

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

Inleiding

HOUTEN LOODS (Wijk bij Duurstede) aan de westzijde van de Kromme Rijn, in het Walplantsoen nabij de inlaatsluis / inundatieduiker in de Rijndijk. Er komt reeds een loods op deze locatie voor rond 1870. De loods ligt met de grootste lengte evenwijdig met het water en met de daknok ongeveer noord-zuid. Op verschillende plaatsen zijn buiten en binnen fortterreinen in de loop der decennia houten, stenen en metalen ('blikken') loodsen tot stand gekomen om te dienen als (provisorische of permanente) bergruimte, opslag, onderkomen voor mensen of materieel, hospitaal, brandweer, paardenstal, wachthuis, enz. Tot deze categorie opslagplaatsen kan ook deze loods worden gerekend. Een groot deel van deze loodsen is inmiddels vergaan, gesloopt, verplaatst of soms ook vervangen, maar andere bestaan nog in authentieke vorm in situ. Soms gaat het om bijzonder eenvoudige bouwwerkjes van geringe omvang, maar er zijn ook meer complexe en grotere exemplaren. De houten loods bij de inlaatsluis / inundatieduiker te Wijk bij Duurstede verkeert in redelijke staat. Het type komt weinig voor binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie; de oorspronkelijke bestemming van de loods is niet achterhaald, maar zal verband hebben gehouden met de inlaatsluis / inundatieduiker; de loods heeft thans een functie voor het regionale waterschap. Het interieur is niet bezocht; of er eerder andere gevelopeningen waren dan de huidige toegang kon niet worden vastgesteld. De houten gevels zijn kennelijk relatief recent vernieuwd, net als de dakbedekking.

Omschrijving

HOUTEN LOODS (Wijk bij Duurstede) aan de westzijde van de Kromme Rijn, in het Walplantsoen nabij de inlaatsluis / inundatieduiker in de Rijndijk, gebouwd op een bakstenen plint, gedekt door een met betonnen pannen gedekt schilddak en verder opgetrokken in hout. Er is rondom een klein overstek. De loods telt één bouwlaag en is gebouwd op een rechthoekige plattegrond van circa 9 x 4,50 m. De vier gevels zijn voorzien van zwart geschilderde of geteerde, gepotdekselde beplanking. die kennelijk relatief recent is vernieuwd. Er is slechts één gevelopening, die centraal is gesitueerd in de kopse zuidoostelijke gevel en die is voorzien van opgeklampte, dubbele, houten deuren, die verticaal zijn beplankt.

Waardering

De HOUTEN LOODS (Wijk bij Duurstede) is van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is gerealiseerd en daarna door anderen gedurende ongeveer 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Architectuurhistorische waarden, in het bijzonder als uiting van een aan de militair-strategische bouwkunde gerelateerde houten bebouwing, die gebaseerd is op het systeem van inundatie en accesverdediging (19de eeuw).

Het betreft hier een onderdeel dat in essentie dateert uit de 19de eeuw, vermoedelijk een houten berging voor materieel behorend bij de inlaatsluis / inundatieduiker.

* Ensemblewaarde en situationele waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tevens vanwege de functionele en fysieke samenhang met de overige onderdelen van het complex en in het bijzonder met de annexe inlaatsluis / inundatieduiker en de iets verderop gelegen schotbalkkering en de bijbehorende loods.

* Het onderdeel is representatief omdat het een voorbeeld is van een vermoedelijk rond 1870 gebouwde loods bij een in diezelfde tijd tot stand gekomen waterkering.

* Het onderdeel is - ondanks restauratie - tamelijk gaaf bewaard omdat hoofdvorm en functie goed herkenbaar zijn gebleven.

Locatie

Rijksmonument nummer
532500
Complexnaam
Waterwerken Kromme Rijn
Gemeentenaam
Wijk bij Duurstede
Provincie
Complexomschrijving

Complexomschrijving.

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

COMPLEX WATERWERKEN KROMME RIJN

Inleiding

De Nieuwe Hollandse Waterlinie vormde van 1815 tot februari 1940 de hoofddefensielinie van het Koninkrijk der Nederlanden. De 85 kilometer lange verdedigingslinie, die is gebaseerd op een uitgestrekte waterbarrière en wordt gesteund door militaire versterkingen, strekte zich uit van de Zuiderzee bij Muiden tot aan de Biesbosch bij Werkendam. De breedte varieerde van slechts enkele honderden meters ten oosten van Utrecht, tot 7,5 km en zelfs meer dan 10 km in de Vijfheerenlanden. Dit typisch Hollandse defensiesysteem van inundaties was de verbeterde voortzetting van de eens zo succesvolle (oude) Hollandse Waterlinie, uit 1672. Het concept voor een waterlinie dateert al uit 1589, toen Prins Maurits opdracht kreeg van de Staten van Utrecht en Holland om te onderzoeken hoe de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op een zo efficiënt mogelijke manier kon worden verdedigd. Door een optimaal gebruik van de geografische ruimtelijke en fysieke omstandigheden kon een bijzondere verdedigingslinie worden aangelegd. Daar waar hoog Nederland overgaat in het laag gelegen poldergebied is het tamelijk eenvoudig om land onder water te zetten door inlaat met behulp van sluizen of via het doorsteken van dijken. Als voeding konden vooral dienen de Vecht (zowel vanuit de Zuiderzee als vanuit de Lek), de grote rivieren (m.n. de Neder-Rijn / Lek) en de Linge. Aan het functioneren en de tastbare onderdelen van deze voornamelijk 'papieren tijger' van waterlinies werd eeuwenlang gesleuteld. Na WOII speelde ook de laatste versie van de Nieuwe Hollandse Waterlinie geen rol van betekenis meer in de hoofddefensie. En in 1951 werden veel onderdelen van de Linie gedeclassificeerd, waarmee de opheffing van de Linie als zodanig een feit was.

Een verbeterde Waterlinie

De grond- en waterslag voor een verbeterde, (nieuwe) Hollandse Waterlinie werd gelegd in de Franse tijd in 1796/97 door de directeur der Hollandse Fortificatiën C.R.T. Kraijenhoff. In zijn 'Memorie betreffende de eerste of capitale Waterlinie' beschrijft beschreef Kraijenhoff gedetailleerd hoe de (oude) Hollandse Waterlinie er toen voorstond en geeft hij aan hoe deze Linie verbeterd zou moeten worden. Tevens bepleitte hij een oostwaartse verlegging ervan de Linie om de stad Utrecht binnen de Linie te brengen. De stad zou dan, beschermd worden door een aaneenschakeling van 'voorposten'. Dit niet alleen omdat Utrecht een belangrijke garnizoensstad was, maar vooral om te voorkomen dat de vijand de waterhindernis zou kunnen aftappen. De aanbevelingen die hij deed vormden het concept voor wat later de Nieuwe Hollandse Waterlinie zou gaan worden. In 1811 werden de plannen zelfs door Keizer Napoleon goedgekeurd: "La ligne de Naarden à Gorcum doit donc être considérée comme la vraie ligne de l'Empire." Mede vanwege militaire en politieke ontwikkelingen werd het plan toen echter niet verder uitgewerkt. Na het vertrek van de Fransen, bij de aanloop tot het ontstaan van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden, in het najaar van 1814, diende Kraijenhoff een nota in waarin zijn voorstellen uit 1796 en 1811 waren geactualiseerd. Daarop besloot Koning Willem I in het voorjaar van 1815 tot de aanleg van een nieuwe Waterlinie - toen nog 'Utrechtse Linie' genoemd. De militaire en waterstaatkundige werken voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie zouden het grootste en duurste infrastructurele project worden dat ooit in Nederland is uitgevoerd.

Bouwen aan een perfect systeem

Evenals de 'oude' Hollandse Waterlinie steunde de 'Nieuwe' op uitgebreide - maar nu beter beheersbare - inundaties, waarbij forten en batterijen de inlaatpunten (sluizen) beschermden en de niet te inunderen terreinstroken en andere 'accessen' afsloten door ze onder vuur te kunnen houden. Samen met de waterbouwkundige Jan Blanken Jzn., inspecteur-generaal van Waterstaat, ontwikkelde Kraijenhoff, als inspecteur-generaal der Fortificaties (1814-1826), de 'natte' plannen voor de Nieuwe Waterlinie. Aan majoor-ingenieur Willem Offerhaus werd opdracht gegeven voor de bouw van een fortenkring om Utrecht, dus voor de 'droge' plannen. Van Muiden tot aan Vesting Nieuwersluis werd het tracé van de (oude) Hollandse Waterlinie langs de Vecht aangehouden. Vanaf Nieuwersluis volgde de nieuwe linie de Vecht, tot enkele kilometers ten noorden van Utrecht. Daar moest de linie oostelijk om de stad heen buigen, om vervolgens langs de Vaartse Rijn verder te lopen tot aan de sluizen van Vreeswijk aan de Lek. Ten zuiden hiervan sloot de nieuwe Waterlinie aan op een waterbarrière die al in 1787 was verplaatst naar de Diefdijk en de Linge. Er dienden vijf zogenoemde 'inundatiekommen' te komen met op de accessen permanente verdedigingswerken. Op een zestal cruciale plaatsen werden (vermoedelijk door Blanken uitgevonden en ontworpen) waaierdeursluizen gebouwd. Deze sluizen, die ook tegen hoog water in geopend konden worden, waren ideaal voor militaire inundaties / doeleinden. De inrichting van een optimaal inundatiestelsel en de aanleg van de onmisbare permanente verdedigingswerken duurden, met onderbrekingen, van 1815 tot 1886. Dat de realisatie van de nieuwe Waterlinie zoveel tijd kostte, had alles te maken met de (internationale) politieke en militair-technische ontwikkelingen en de ingrijpende infrastructurele en waterstaatkundige veranderingen gedurende de negentiende eeuw. We kunnen in die eeuw een viertal bouwperioden onderscheiden. In de eerste fase van 1815-1826 werden de versterkingen rondom Utrecht gerealiseerd. Vervolgens bouwde de Dienst der Fortificatiën van 1841 tot 1864 de torenforten (eigenlijk: forttorens) bij de rivieraccessen, waarna tussen 1867-1872 op vele plaatsen in de Linie verbeteringen plaatsvonden. Ten slotte werden tussen 1871 en 1886 de laatste forten van de Linie gebouwd, alle bestaande uit (gesloten) aardwerken met daarbinnen aard gedekte gebouwen. In de twintigste eeuw veranderden de militaire tactieken drastisch en zijn hiernaast (veld)versterkingen tussen (en op) de forten aangelegd met diverse typen werken van gewapend beton.

Bouwfasen in de negentiende eeuw

Gedurende de eerste bouwfase werd tussen 1816 en 1826 op de kwetsbare accessen rondom Utrecht een vijftal forten gebouwd. De eenvoudige werken bestonden uit aarden omwallingen, die precies in het hart van de te beveiligen weg of kade waren gelegen. De forten werden omgeven door een gracht en op de hoofdwal was de opstelplaats voor het geschut. De vorm en de omvang van de forten werden bepaald door de breedte van het acces en de ligging van de inundatiemiddelen. Verder werden op de hoog gelegen - en dus niet te inunderen - Houtense Vlakte vier lunetten gebouwd. Deze V-vormige versterkingen werden voorzien van zware bakstenen bekledingsmuren. Ten zuiden van Utrecht bouwde men ter bescherming van enkele inundatiesluizen forten bij Jutphaas, Vreeswijk en - aan de overzijde van de Lek (Neder-Rijn) - tussen Vianen en Culemborg. De volgende bouwfase diende zich aan nadat Nederland in 1839 België als zelfstandige staat had erkend. Reorganisatie en vernieuwing van het verdedigingsstelsel waren nodig. Koning Willem II besloot tot een geconcentreerde verdediging, met de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoofddefensielinie. De vestingen en linies aan de landsgrenzen dienden om een eventuele vijandelijke opmars te vertragen, zodat de inundaties van Waterlinie tijdig konden worden gerealiseerd. De tweede actieve bouwperiode van de waterlinie duurde van 1841 tot 1864 en vond plaats ondanks ingrijpende bezuinigingen op defensie (de omvang van het leger werd gehalveerd). Onder leiding van genieofficier Merkes van Gendt werden op de dijkaccessen langs de rivieren torenforten gebouwd. Onder meer bij de rivieraccessen van Vecht, Lek, Linge en Waal verrezen ronde, bakstenen forttorens. In diezelfde periode kregen diverse kleinere werken van de linie 'bomvrije' gebouwen o.a. in de vorm van vierkante wachthuizen binnen de redoutes. Met de Napoleontische term 'bomvrij' (à l'épreuve de bombe) bedoelde men dat ze bestand waren tegen contemporain geschut. Het waren veelal wachthuizen met zware, gemetselde muren. Enige versterkingen op de dijkaccessen in het Vechtplassengebied die nog uit de Franse tijd dateerden, werden vervangen door eenvoudige forten of redoutes. Vanaf 1853 was de zogenoemde Kringenwet van kracht (overigens opvolger van een eerdere, uit 1814), die bepaalde dat er binnen cirkel van 1000 meter van de forten beperkende bouw- en beplantingsvoorschriften golden i.v.m. een vrij schootsveld. Binnen deze kringen vinden we dan ook soms houten bebouwing. In 1951 werd de Kringenwet opgeschort en in 1963 ingetrokken. Omstreeks 1864 leek de Nieuwe Hollandse Waterlinie min of meer voltooid. Maar ontwikkelingen vóór, tijdens en na de Frans-Duitse oorlog, van 1870, brachten talloze tekortkomingen aan het licht, zowel op bouwkundig en wapen-technisch, als op tactisch gebied. Kolonel Kromhout kreeg de taak de organisatie van de Waterlinie beter te structureren. Er waren veel te weinig bomvrije onderkomens voor manschappen en bomvrije magazijnen voor munitie. Bovendien bleken de zware muren van de hoge forttorens lang niet zo 'bomvrij' als ze heetten te zijn. Maar ook de nieuwe en de verbeterde 'bomvrije' forten bleken kort na oplevering alweer verouderd. In de daaropvolgende jaren werden de kwetsbare torens daarom beveiligd. Om de torens tegen directe treffers te beschermen, werd een zogenoemde 'contrescarp' aangebracht, een halfrond gaande aanaarding van een dik kleipakket of anders een gemetselde en aangeaarde galerij die los stond van de toren en daar in een ruime halve cirkelvorm omheen lag. Ook veel andere bomvrije wachthuizen kregen een stevige aarden dekking.

De derde bouwperiode (1867- ca. 1872) volgde na de uitvinding van geschut met 'getrokken loop' (ca. 1860). Dit ver dragende en nauwkeuriger geschut maakte duidelijk dat veel werken in de Waterlinie toch zeer kwetsbaar waren. De forten misten dekkingsmogelijkheden voor manschappen en materieel. Er was behoefte aan bomvrije remises voor geschut en bomvrije kazernes voor de manschappen. Bovendien dienden de wallen te worden verzwaard. Door de toegenomen reikwijdte van de projectielen moesten de steden Naarden en Utrecht, die hierdoor in de frontlinie kwamen te liggen, op grotere afstand worden verdedigd. Daarom werden vooruitgeschoven posten aangelegd. Het centraal gelegen Utrecht was al een kruispunt van wegen, maar werd sinds de jaren '60 ook een knooppunt van een nieuwe vorm van infrastructuur: de spoorwegen. De ring van zes oudere forten die Utrecht beschermde, lag ten opzichte van de mogelijke posities van vijandelijk geschut te dicht bij de stad. Daarom is verder oostwaarts van de Domstad een tweede, vooruitgeschoven fortenkring aangelegd. Verder vonden langs de Lek waterstaatkundige verbeteringen plaats voor eventuele inundaties rond Utrecht: zo kwam er een nieuwe inlaatsluis bij Wijk bij Duurstede en vonden er inlaatverbeteringen plaats bij vanaf Fort Honswijk. Begin jaren '70 realiseerde de regering zich dat het Nederlandse defensieapparaat de voorgaande drie decennia sterk onder de bezuinigingen had geleden. Daarom diende de Minister van Oorlog de zogenoemde Vestingwet (1874) in. Deze kende onder meer prioriteit toe aan de verbetering en vernieuwing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoeksteen van de Nederlandse verdediging. In acht jaar dienden nieuwe werkzaamheden voor de hoofdverdedigingslinie te worden verwezenlijkt. Daarmee ging men de vierde bouwperiode (ca. 1871-1886) in, die in feite een voortzetting was van de derde, maar op andere gronden. De Waterlinie was nog maar amper ingericht volgens de laatste eisen van grote defensieve kracht, of in 1885 werd de brisantgranaat ingevoerd. Tegen dit explosieve projectiel was geen fort bestand. L'histoire se répète: op slag waren de forten van de gemoderniseerde Waterlinie opnieuw verouderd en dus onbetrouwbaar. Tevens bleken de forten niet meer geschikt als opstellingsplaats voor vestinggeschut. De geschiedenis van de vestingbouw leert dat de ontwikkelingen van de verdedigingsmethoden voortdurend achterlopen op die van de aanvalswapens. Om trefkans te verkleinen, moesten manschappen en geschut voortaan dan ook worden gespreid in het linielandschap. Forten vervulden intussen nog wel een rol als stormvrij infanteriesteunpunt. Sindsdien speelde 'maskering' (camouflage) door beplantingen op en bij de forten een rol. In deze periode werden op veel forten, behalve fortwachterswoningen, ook houten genie- en artillerieloodsen gebouwd om het materieel in vredestijd vochtvrij te stallen. Ondertussen vond toch op grote schaal nieuwbouw plaats in de Waterlinie. Van noord tot zuid verrezen nieuwe forten en batterijen in de Linie om een aaneengesloten 'snoer' van steunpunten op bepaalde afstand van elkaar te realiseren. Daarna kwam de fortenbouw tot stilstand. Het nut en de kracht van de geld verslindende en snel verouderende forten van de Waterlinie stonden aan het eind van de negentiende eeuw ter discussie. Het accent van de landsverdediging werd van de zogenaamde 'dode weermiddelen' verlegd naar 'levende defensie', met mobiele strijdkrachten die verspreid in de Linie in en vanuit veldversterkingen zouden moeten opereren om een (storm)aanval met de nieuwste wapens te weerstaan. Hiernaast moest echter ook rekening worden gehouden met een aantal waterstaatkundige veranderingen: de aanleg van het Merwedekanaal, rond 1890, was wel de belangrijkste. Het zorgde voor een belangrijke wijziging in het inundatiesysteem.

Ontwikkelingen vóór en in WO I, het Interbellum en WO II

Kort voor en in de eerste jaren van de 20ste eeuw zijn op meerdere plaatsen gemetselde en later ook betonnen onderkomens en opstellingsplaatsen voor geschut tot stand gebracht, waarbij met name experimenten met gewapend beton interessante resultaten gaven. Tijdens de mobilisatie van de Eerste Wereldoorlog werden (veld)versterkingen voor artillerie, infanterie en munitieopslag aangelegd, waarbij met name de gewapend betonnen Schuilplaatsen Type 1918 /I en /II in flinke aantallen tot stand kwamen en karakteristiek zijn. In het Interbellum zijn onder meer zware betonnen werken gebouwd volgens het zogenoemde 'Voorschrift Inrichten Stellingen, no. 77', uit 1928. 'VIS-kazematten' komen op meerdere plaatsen voor bij (nieuwe) accessen. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog kwamen, naast honderden Groepsschuilplaatsen Type P, talrijke Gietstalen Koepelkazematten Type G gebouwd. Verder bepaalden onder meer loopgravenstelsels, 'groepsnesten', prikkeldraadversperringen, gevechtswagenversperringen (tankhindernissen) en tankgrachten het gezicht van de 'jongste' Waterlinie. Op en bij de forten verschenen de moderne golfplaten Nissen-hutten en Romney-loodsen voor diverse doeleinden. En last but not least: in en rond de jaren '30 zijn op diverse plaatsen toevoegingen, veranderingen en verbeteringen aan het inundatiesysteem tot stand gebracht. Zelfs het Noordzeekanaal ging een rol spelen in het netwerk van aanvoerwegen en water was in die tijd dan ook nog lang niet afgeschreven als weermiddel. De Nieuwe Hollandse Waterlinie verloor zijn militaire functie formeel in 1963, maar als grootschalig complex van infrastructurele waarden en als biotoop en bleef de Linie tot op heden van nationaal belang.

Complex WATERWERKEN KROMME RIJN

Inleiding complex

Het complex WATERWERKEN KROMME RIJN is een vitaal onderdeel van het inundatiesysteem voor het gebied ten zuidoosten van de stad Utrecht en in het bijzonder voor het gebied dat grenst aan de niet inundeerbare Houtense Vlakte. Het verdedigingssysteem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie was in de eerste plaats gebaseerd op het gecontroleerd onder water zetten van (grote) terreinoppervlakken. Gecontroleerde inundatie vergde een ingenieus systeem van waterwerken, zoals sluizen, stuwen en kanalen, waarmee het noodzakelijke peil snel en binnen nauwe grenzen gesteld en gehandhaafd kon worden. De wateraanvoer geschiedde vanuit en via natuurlijke wateren en/of via speciaal aangepaste of nieuw gegraven waterlopen - de zogenoemde inundatiekanalen. In het geval van de Kromme Rijn betreft het een van nature aanwezige waterloop, die tussen 1866 en 1871 speciaal werd ingericht en gekanaliseerd om water gereguleerd en gecontroleerd naar verder stroomafwaarts gelegen inundatievelden te kunnen leiden. Hiertoe kwam niet alleen een nieuwe verbinding met de Neder-Rijn tot stand, maar zijn ook enkele sluiswerken, verleggingen, verdieping, afsnijdingen, plaatselijke verbredingen en diverse voorzieningen gerealiseerd. Verlegging was onder meer het geval direct ten oosten van de stad Wijk bij Duurstede, waar een nieuwe inlaat werd gegraven. Afsnijding van de bochtige ('kromme') rivierloop vond onder meer plaats ter hoogte van de huidige Leemkolkweg (midden tussen Cothen en Werkhoven), verbreding vond onder meer plaats te Cothen en tot de voorzieningen kunnen worden gerekend twee overlaten (bij de beide schutsluizen) en (vermoedelijk) negen bruggen, waarvan er nog enkele - in verschillende uitvoeringen - nog in meer of minder authentieke vorm bestaan.

De door de Genie bekostigde bruggen lagen verspreid over de Kromme Rijn, van Wijk bij Duurstede tot Odijk. In enkele gevallen is niet achterhaald of een (nog bestaande) brug door de Genie / het Rijk werd bekostigd; wel is zeker dat enige van de bruggen inmiddels niet meer bestaan: deze zijn na de oorlog - soms vrij recent - vervangen. Dit geldt onder meer voor een voetgangersbrug ten oosten van Odijk bij het toenmalig kadastraal perceel A 91 (bij Oud-Scherpenburg), als mede voor de Rustbrug in de huidige Broekweg, nabij Werkhoven. De brug bij de singel / sluizen te Wijk bij Duurstede is in of rond 2011 vervangen en vertoont nu slechts oppervlakkige gelijkenis met de oorspronkelijke. Ook de gewapend betonnen brug in de Nieuweweg te Wijk bij Duurstede (voorheen de as Donkersteeg / Overlangbroekseweg) is een relatief moderne opvolger. De meeste bruggen over de Kromme Rijn zijn vanaf ongeveer 1870 gebouwd om bestaande exemplaren vervangen. Dit gebeurde vanwege de verbreding of de verlegging van het water en/of omdat ze een functie binnen de landsverdediging moesten gaan vervullen als onderdeel van een 'terugtochtweg'. Ze dienden namelijk voor troepen van het Nederlandse veldleger die vanuit de Grebbelinie terug gingen op de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Na de terugtrekking van deze troepen volgde in principe een (voorbereide) vernieling van de bruggen. Deze vernieling heeft echter nooit om die reden plaatsgevonden. Wel zijn er al in de vooroorlogse jaren enkele bruggen vervangen. Diverse advertenties voor de aanbesteding van de werken laten zien dat in Cothen drie bruggen zouden worden gebouwd: één in de grindweg (van Cothen naar Neder-Langbroek) en verder een voetgangersbrug bij het kadastraal perceel B 43 en een brug bij B 39. De brug in de grindweg (de huidige Dorpsstraat - is rond 1935 vervangen door de huidige betonnen en bakstenen brug en valt buiten het complex. De brug kwam tot stand in relatie met het provinciale wegenplan van Utrecht, dat rond die tijd werd uitgevoerd. Ook de brug bij perceel B 39 (nu bekend als de Rijnweide), die later (vermoedelijk ook rond 1935) is vervangen door een gewapend betonnen exemplaar, blijft buiten het complex. Hiernaast is er - blijkens een militaire kaart - ook een vernieuwde - dus langere - brug over de Kromme Rijn gerealiseerd als toegang tot de buitenplaats Rhijnestein, nabij de van oudsher als A 28 en A 29 bekende percelen. Deze laatste brug bestaat nog wel in gave vorm, maar dit exemplaar is separaat beschermd als onderdeel van het complex 'Historische buitenplaats Rhijnestein'. Deze brug maakt daarom eveneens geen deel uit van het 'Complex Waterwerken Kromme Rijn'. (In de omschrijving van complex Rhijnestein wordt overigens geen melding gemaakt van de constructie van de brug in relatie met de verbetering van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.) Opmerkelijk is dat tevens enkele, min of meer 'private', bruggen lijken te zijn aangelegd, waarvan er zeker nog één bestaat, namelijk in Cothen.

De werken te Wijk bij Duurstede - en ook de sluizen en bruggen bij Cothen, Werkhoven en Odijk - zijn betaald door de militaire Genie, die het initiatief nam tot de kanalisering, verdieping en verruiming van de Kromme Rijn. De werken tussen Wijk bij Duurstede en Cothen en de bouw van twee bruggen en een sluis is aangenomen door dhr. Schram uit Sliedrecht, voor 142.000 gulden. Het werk tussen Cothen en Odijk werd voor 238.000 gulden aangenomen door R. van der Vlugt jr. uit Empel, maar hij ging failliet en vervolgens kwam, na opnieuw aanbesteden, uit de bus dhr. Wiegerink uit Groenlo, voor 248.000 gulden.

Er werden in het kader van de Nieuwe Hollandse Waterlinie verschillende typen sluizen toegepast, afhankelijk van de plaats waar ze in het systeem functioneerden. Soms werden reeds bestaande scheepvaart-, uitwaterings- of keersluizen gebruikt, maar ook zijn er vele nieuwe gebouwd, of bestaande (sterk) aangepast. In het geval van de werken in en langs de Kromme Rijn tussen Wijk bij Duurstede en Odijk ging het om twee (nog bestaande), in samenhang met de kanalisatie van de rivier ten behoeve de Nieuwe Hollandse Waterlinie geconstrueerde schutsluizen met overlaat en om een tweetal speciaal als inundatiesluis gebouwde exemplaren te Wijk bij Duurstede. Behalve deze werken speelden verschillende bruggen en een aantal sluis- en brugwachterswoningen een (annexe) de rol bij de landsverdediging. De werken kenden merendeels gecombineerde civiele en militaire bestemmingen. De beide inundatiesluizen - de noordelijke van de twee is oorspronkelijk uitgevoerd als een schotbalkenkering - zijn geconstrueerd in de jaren '70 van de 19de eeuw en liggen dicht bij elkaar in Wijk bij Duurstede. Ze fungeerden als gecontroleerde inlaat vanuit de Lek. Bij de kanalisatie van de Kromme Rijn zijn de in oorsprong uit de 12de eeuw daterende afdamming van de rivier en scheiding van Beneden-Rijn en Kromme Rijn door middel van een stenen duiker ongedaan gemaakt. In het verlengde van de huidige Aalswaard lag toentertijd enige jaren een dam ter afsluiting van het nieuwe Inundatiekanaal / de Kromme Rijn. Er werd een nieuwe duiker gebouwd - iets ten oosten van de stad - met aansluitend daaraan dit speciaal gegraven kanaal. De nieuwe waterloop werd in totaal ongeveer 1000 m lang, waarvan vanaf de Neder-Rijn tot aan de Inundatiesluis / Inundatieduiker ongeveer 350 m. Het nieuwe kanaal sloot ten noorden van de stad aan op de bovenloop van de Kromme Rijn, maar was hiervan gescheiden door een derde schutsluis. Dit derde exemplaar - vermoedelijk uit dezelfde tijd daterend en iets noordelijk gelegen van de inlaatsluizen - diende om de stadswateren van de Kromme Rijn te scheiden. Deze sluis - en ook het water dat er vanuit de stad naartoe leidde - is vermoedelijk rond 1960 gedempt. (De toponiemen De Kolk en Langs de Rijn herinneren er nog aan; mogelijk zijn ter plaatse in de bodem nog archeologische resten of sporen aanwezig.) De beide nog bestaande schutsluizen liggen enkele kilometers stroomafwaarts van Wijk bij Duurstede in de Kromme Rijn, respectievelijk in het dorp Cothen en iets ten noorden van Werkhoven. De gekanaliseerde Kromme Rijn en de bijbehorende werken vormden belangrijke onderdelen van het defensiesysteem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, met name vanwege de situering in en bij de moeilijk of niet te inunderen Houtense Vlakte en in de nabijheid van de hiertoe ingerichte fortengordels ten oosten van de stad Utrecht.

Ligging en relatie tot andere complexen

Het complex WATERWERKEN KROMME RIJN ligt ten zuidoosten van Utrecht, ruwweg tussen Wijk bij Duurstede aan de Neder-Rijn en Odijk. De Kromme Rijn kon bij voldoende geopende inlaatsluizen gedeeltelijk voorzien in water voor de inundatie van lage gronden ten zuidoosten van Utrecht en kon tevens bijdragen in de voeding van grachten rond de forten in het aangrenzend, niet te inunderen gebied. Dankzij de inrichting van een aantal schutsluizen werd en bleef kleinschalige scheepvaart op de Kromme Rijn mogelijk - eventueel ook wanneer de militaire functie actief was. Er zijn vermoedelijk geen (in steen of beton) gebouwde versterkingen tot stand gekomen om de waterwerken te verdedigen, hoewel er wel documenten bekend zijn van rond 1926 waarin sprake is van verdediging van de inlaatwerken. De rivier en de beide rivieroevers vormden immers een natuurlijk acces naar de Houtense Vlakte; forten als Rijnauwen, Vechten, Werk aan de Hoofddijk en Fort Vossegat en ook de latere betonnen werken tussen de forten Rijnauwen en Vechten zorgden verderop voor afgrendeling en dekking van het acces en de werken.

Omschrijving complex

Het complex WATERWERKEN KROMME RIJN wordt gevormd door verschillende typen werken in en langs deze van oorsprong natuurlijke, maar al eeuwen geleden door dichtslibben en afdammen sterk gedegradeerde Rijntak. De tussen 1866 en 1871 gekanaliseerde en deels heropende rivier werd dankzij deze werken toen een vitaal onderdeel in de landsdefensie door middel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Onderdelen van - en voorwaarden voor - de gekanaliseerde Kromme Rijn zijn een nog bestaand ensemble van inundatiesluis, kwelkom en (inundatie)kering, een inundatiekanaal, een tweetal schutsluizen met gecombineerde militaire en civiele functies, drie woningen voor personeel en verder enige bruggen en enkele loodsen.

De bescherming van het complex WATERWERKEN KROMME RIJN omvat de volgende complexonderdelen:

- INLAATSLUIS / INUNDATIEDUIKER met KWELKOM / ONTVANGKOM en SCHOTBALKENKERING

- INUNDATIEKANAAL

- SCHUTSLUIS MET OVERLAAT / STUW / DAMSLUIS (Cothen)

- SCHUTSLUIS MET OVERLAAT / STUW / DAMSLUIS (Werkhoven)

- SLUISWACHTERSWONING (Wijk bij Duurstede)

- SLUISWACHTERSWONING (Cothen)

- SLUISWACHTERSWONING (Werkhoven)

- HOUTEN SCHOTBALKENLOODS (Wijk bij Duurstede)

- HOUTEN LOODS (Wijk bij Duurstede)

- IJZEREN BRUG (Wijk bij Duurstede, Langbroekseweg)

- IJZEREN BRUG (Werkhoven, Beverweert)

- BETONNEN BRUG (Werkhoven, Kerkpad)

Waardering Complex

Het complex WATERWERKEN KROMME RIJN is van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is gerealiseerd en daarna door anderen gedurende ongeveer 125 jaar is versterkt en verbeterd. Tevens als uitdrukking van en herinnering aan de betekenis van de Kromme Rijn voor de landsverdediging.

* Architectuurhistorische waarden in het bijzonder als uiting van de aan de militair-strategische doelen gelieerde weg- en waterbouwkunde, die gebaseerd is op het systeem van inundatie en accesverdediging (19de en 20ste eeuw),

Het betreft hier een voorbeeld van een complex dat bestaat uit enkele sluizen van verschillend type, alle met civiele en militaire functies - en deze in combinatie met loodsen, bruggen en sluiswachterswoningen.

* Krijgshistorische waarden als onderdeel van een aaneengesloten militaire verdedigingslinie tussen de voormalige Zuiderzee en de Biesbosch. Deze bestond hoofdzakelijk uit een samenhangend systeem van inundatievelden en bijbehorende inundatiemiddelen en van schootsvelden. Dit systeem werd aangevuld met diverse, uit verschillende perioden daterende typen gebouwde of aangelegde verdedigingswerken die dienden ter afsluiting en verdediging van niet te inunderen terreinen of andere accessen.

* Ensemblewaarde en situationele waarden vanwege de ligging en het functioneren binnen het systeem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in het algemeen en de onderlinge visuele en ruimtelijk-functionele relatie van de onderdelen en vanwege de samenhang met inundatiezones verder stroomafwaarts van de rivier.

* Het complex is representatief (karakteristiek) omdat het nog steeds veel typerende fysieke onderdelen en kenmerken vertoont van die welke destijds aanleiding waren tot de aanleg van de werken.

* Het complex is goed bewaard omdat de belangrijkste onderdelen van de fysieke infrastructuur in hun samenhang herkenbaar en functioneel zijn gebleven, terwijl de civiele functie van de werken is behouden.

Eigenschappen

Functies
Functie Hoofdcategorie Subcategorie Functietype Is hoofdfunctie
Verdedigingswerken en militaire gebouwen Militaire opslagplaats oorspronkelijke functie Ja
Adressen
Straat Getal Achtervoegsel Postcode Plaats Locatie Situatie Is hoofdadres
Singel 50 3961 CH Wijk bij Duurstede Ja
Types
Hoofdcategorie Subcategorie Beschrijving Notitie
Verdedigingswerken en militaire gebouwen Militaire opslagplaats Houten Loods
Percelen
Kadastraal perceel Kadastrale sectie Kadastraal object Appartement Kadastrale gemeente
B 2177 Wijk bij Duurstede
Naar boven