Utrechtseweg 351, De Bilt

Cluster 37. Betonnen Brug.

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

Inleiding

BETONNEN BRUG, die onderdeel is van de in of kort voor 1939 tot stand gebrachte verbinding tussen de Utrechtseweg en het zuidelijk deel van het Complex Betonnen Werken bij Griftensteijn. De brug kwam mogelijk tot stand in samenhang met de rond dezelfde tijd gerealiseerde verruiming van de Utrechtseweg. De brug maakte zwaar (bouw)verkeer langs de weg naar de (te bouwen) groepsschuilplaatsen en kazematten ten oosten hiervan mogelijk. Hij komt onder meer voor op luchtfoto's uit 1940. Het ophalen of verwijderen / vernietigen van bruggen is sinds de oudheid een probaat middel om indringers te weren. Niet alleen werd zo de doorgang of overtocht over een waterloop, een droge of een n.atte gracht of een terreindiepte belemmerd of vertraagd, maar ook moest een aanvaller zelf zorgen voor middelen om de barrière eventueel zelf te nemen. Houten bruggen waren relatief snel te vernietigen, desnoods door ze in brand te steken. Stenen bruggen vergden een grotere en meer tijdrovende ingreep, al kon een springlading soms snel het gewenste effect sorteren. Met de komst van ijzeren bruggen - in de loop van de 19de eeuw op grote schaal toegepast in vele verschillende varianten - bleef de tweede mogelijkheid bestaan, maar verdween de eerste. Het opblazen van bruggen was kapitaalvernietiging en gebeurde alleen in uiterste noodzaak. Een manier waarop houten en ijzeren bruggen afgesloten konden worden was het uitnemen of ontoegankelijk maken van (kleine) delen ervan. Vaste bruggen van beton, zoals dit exemplaar over de Biltsche Grift, boden deze mogelijkheid niet, maar het toegepaste 'liggersysteem' maakte onklaar maken toch relatief eenvoudig. Er is een - inmiddels sleetse - asfaltlaag op het rijvlak aangebracht. De brug, die vermoedelijk na de oorlog van andere balustrades is voorzien, vervult heden een civiele functie.

Omschrijving

BETONNEN BRUG, in of kort voor 1939 tot stand gekomen als verbinding tussen de Utrechtseweg en het zuidelijk deel van het Werk bij Griftensteijn. De als (gewapend) betonnen brug uitgevoerde oeververbinding is scheluw over de Biltsche Grift gebouwd en bestaat uit twee hoofden en tussenliggend brugdek. Hoofden en brugdek bestaan uit enkele parallelle betonnen liggers die rusten op betonnen jukken. Ter weerszijden van het rijvlak zijn in de betonnen banden nog sporen van een (eerdere) balustrade te zien. De vlakke, op wegniveau gebouwde brug is - inclusief hoofden - circa 15 m lang en circa 4 m breed. Ter weerszijden ijzeren balustrades van dubbel buismateriaal op aan de buitenzijde gemonteerde verticalen.

Waardering

De BETONNEN BRUG, onderdeel van de Betonnen Werken bij Griftensteijn is van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is gerealiseerd en daarna door anderen gedurende ongeveer 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Architectuurhistorische waarden in het bijzonder als uiting van de militair-strategische bouwkunde, die gebaseerd is op en ontstond als uitvloeisel van: a. het systeem van inundatie en accesverdediging (20ste eeuw), b. de wedloop met de zich versterkende offensieve middelen (20ste eeuw), c. het systeem van 'levende' veldversterking in de diepte (20ste eeuw).

Het betreft hier een onderdeel uit of van kort voor 1939, namelijk een aan de militair-strategische bouwkunde gerelateerde uiting van de historische waterbouwkunde: een vaste brug voor militaire - later civiele - doeleinden.

* Ensemblewaarde en situationele waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tevens vanwege de functionele en fysieke samenhang met de overige onderdelen van het complex.

* Het onderdeel is representatief (karakteristiek) omdat het een goed voorbeeld is van toepassing van dit type brug in een gecombineerde militaire en civiele situatie.

* Het onderdeel is tamelijk gaaf bewaard omdat het in essentie onveranderd en als brug in functie is gebleven.

Locatie

Rijksmonument nummer
532457
Complexnaam
NHW-Bet. werken bij Griftensteijn
Provincie
Plaats
Complexomschrijving

Cluster 37. Complexomschrijving.

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

COMPLEX WERKEN BIJ GRIFTENSTEIJN

Inleiding

De Nieuwe Hollandse Waterlinie vormde van 1815 tot februari 1940 de hoofddefensielinie van het Koninkrijk der Nederlanden. De 85 kilometer lange verdedigingslinie, die is gebaseerd op een uitgestrekte waterbarrière en wordt gesteund door militaire versterkingen, strekte zich uit van de Zuiderzee bij Muiden tot aan de Biesbosch bij Werkendam. De breedte varieerde van slechts enkele honderden meters ten oosten van Utrecht, tot 7,5 km en zelfs meer dan 10 km in de Vijfheerenlanden. Dit typisch Hollandse defensiesysteem van inundaties was de verbeterde voortzetting van de eens zo succesvolle (oude) Hollandse Waterlinie, uit 1672. Het concept voor een waterlinie dateert al uit 1589, toen Prins Maurits opdracht kreeg van de Staten van Utrecht en Holland om te onderzoeken hoe de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op een zo efficiënt mogelijke manier kon worden verdedigd. Door een optimaal gebruik van de geografische ruimtelijke en fysieke omstandigheden kon een bijzondere verdedigingslinie worden aangelegd. Daar waar hoog Nederland overgaat in het laag gelegen poldergebied is het tamelijk eenvoudig om land onder water te zetten door inlaat met behulp van sluizen of via het doorsteken van dijken. Als voeding konden vooral dienen de Vecht (zowel vanuit de Zuiderzee als vanuit de Lek), de grote rivieren (m.n. de Neder-Rijn / Lek) en de Linge. Aan het functioneren en de tastbare onderdelen van deze voornamelijk 'papieren tijger' van waterlinies werd eeuwenlang gesleuteld. Na WOII speelde ook de laatste versie van de Nieuwe Hollandse Waterlinie geen rol van betekenis meer in de hoofddefensie. En in 1951 werden veel onderdelen van de Linie gedeclassificeerd, waarmee de opheffing van de Linie als zodanig een feit was.

Een verbeterde Waterlinie

De grond- en waterslag voor een verbeterde, (nieuwe) Hollandse Waterlinie werd gelegd in de Franse tijd in 1796/97 door de directeur der Hollandse Fortificatiën C.R.T. Kraijenhoff. In zijn 'Memorie betreffende de eerste of capitale Waterlinie' beschrijft beschreef Kraijenhoff gedetailleerd hoe de (oude) Hollandse Waterlinie er toen voorstond en geeft hij aan hoe deze Linie verbeterd zou moeten worden. Tevens bepleitte hij een oostwaartse verlegging ervan de Linie om de stad Utrecht binnen de Linie te brengen. De stad zou dan, beschermd worden door een aaneenschakeling van 'voorposten'. Dit niet alleen omdat Utrecht een belangrijke garnizoensstad was, maar vooral om te voorkomen dat de vijand de waterhindernis zou kunnen aftappen. De aanbevelingen die hij deed vormden het concept voor wat later de Nieuwe Hollandse Waterlinie zou gaan worden. In 1811 werden de plannen zelfs door Keizer Napoleon goedgekeurd: "La ligne de Naarden à Gorcum doit donc être considérée comme la vraie ligne de l'Empire." Mede vanwege militaire en politieke ontwikkelingen werd het plan toen echter niet verder uitgewerkt. Na het vertrek van de Fransen, bij de aanloop tot het ontstaan van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden, in het najaar van 1814, diende Kraijenhoff een nota in waarin zijn voorstellen uit 1796 en 1811 waren geactualiseerd. Daarop besloot Koning Willem I in het voorjaar van 1815 tot de aanleg van een nieuwe Waterlinie - toen nog 'Utrechtse Linie' genoemd. De militaire en waterstaatkundige werken voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie zouden het grootste en duurste infrastructurele project worden dat ooit in Nederland is uitgevoerd.

Bouwen aan een perfect systeem

Evenals de 'oude' Hollandse Waterlinie steunde de 'Nieuwe' op uitgebreide - maar nu beter beheersbare - inundaties, waarbij forten en batterijen de inlaatpunten (sluizen) beschermden en de niet te inunderen terreinstroken en andere 'accessen' afsloten door ze onder vuur te kunnen houden. Samen met de waterbouwkundige Jan Blanken Jzn., inspecteur-generaal van Waterstaat, ontwikkelde Kraijenhoff, als inspecteur-generaal der Fortificaties (1814-1826), de 'natte' plannen voor de Nieuwe Waterlinie. Aan majoor-ingenieur Willem Offerhaus werd opdracht gegeven voor de bouw van een fortenkring om Utrecht, dus voor de 'droge' plannen. Van Muiden tot aan Vesting Nieuwersluis werd het tracé van de (oude) Hollandse Waterlinie langs de Vecht aangehouden. Vanaf Nieuwersluis volgde de nieuwe linie de Vecht, tot enkele kilometers ten noorden van Utrecht. Daar moest de linie oostelijk om de stad heen buigen, om vervolgens langs de Vaartse Rijn verder te lopen tot aan de sluizen van Vreeswijk aan de Lek. Ten zuiden hiervan sloot de nieuwe Waterlinie aan op een waterbarrière die al in 1787 was verplaatst naar de Diefdijk en de Linge. Er dienden vijf zogenoemde 'inundatiekommen' te komen met op de accessen permanente verdedigingswerken. Op een zestal cruciale plaatsen werden (vermoedelijk door Blanken uitgevonden en ontworpen) waaierdeursluizen gebouwd. Deze sluizen, die ook tegen hoog water in geopend konden worden, waren ideaal voor militaire inundaties / doeleinden. De inrichting van een optimaal inundatiestelsel en de aanleg van de onmisbare permanente verdedigingswerken duurden, met onderbrekingen, van 1815 tot 1886. Dat de realisatie van de nieuwe Waterlinie zoveel tijd kostte, had alles te maken met de (internationale) politieke en militair-technische ontwikkelingen en de ingrijpende infrastructurele en waterstaatkundige veranderingen gedurende de negentiende eeuw. We kunnen in die eeuw een viertal bouwperioden onderscheiden. In de eerste fase van 1815-1826 werden de versterkingen rondom Utrecht gerealiseerd. Vervolgens bouwde de Dienst der Fortificatiën van 1841 tot 1864 de torenforten (eigenlijk: forttorens) bij de rivieraccessen, waarna tussen 1867-1872 op vele plaatsen in de Linie verbeteringen plaatsvonden. Ten slotte werden tussen 1871 en 1886 de laatste forten van de Linie gebouwd, alle bestaande uit (gesloten) aardwerken met daarbinnen aard gedekte gebouwen. In de twintigste eeuw veranderden de militaire tactieken drastisch en zijn hiernaast (veld)versterkingen tussen (en op) de forten aangelegd met diverse typen werken van gewapend beton.

Bouwfasen in de negentiende eeuw

Gedurende de eerste bouwfase werd tussen 1816 en 1826 op de kwetsbare accessen rondom Utrecht een vijftal forten gebouwd. De eenvoudige werken bestonden uit aarden omwallingen, die precies in het hart van de te beveiligen weg of kade waren gelegen. De forten werden omgeven door een gracht en op de hoofdwal was de opstelplaats voor het geschut. De vorm en de omvang van de forten werden bepaald door de breedte van het acces en de ligging van de inundatiemiddelen. Verder werden op de hoog gelegen - en dus niet te inunderen - Houtense Vlakte vier lunetten gebouwd. Deze V-vormige versterkingen werden voorzien van zware bakstenen bekledingsmuren. Ten zuiden van Utrecht bouwde men ter bescherming van enkele inundatiesluizen forten bij Jutphaas, Vreeswijk en - aan de overzijde van de Lek (Neder-Rijn) - tussen Vianen en Culemborg. De volgende bouwfase diende zich aan nadat Nederland in 1839 België als zelfstandige staat had erkend. Reorganisatie en vernieuwing van het verdedigingsstelsel waren nodig. Koning Willem II besloot tot een geconcentreerde verdediging, met de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoofddefensielinie. De vestingen en linies aan de landsgrenzen dienden om een eventuele vijandelijke opmars te vertragen, zodat de inundaties van Waterlinie tijdig konden worden gerealiseerd. De tweede actieve bouwperiode van de waterlinie duurde van 1841 tot 1864 en vond plaats ondanks ingrijpende bezuinigingen op defensie (de omvang van het leger werd gehalveerd). Onder leiding van genieofficier Merkes van Gendt werden op de dijkaccessen langs de rivieren torenforten gebouwd. Onder meer bij de rivieraccessen van Vecht, Lek, Linge en Waal verrezen ronde, bakstenen forttorens. In diezelfde periode kregen diverse kleinere werken van de linie 'bomvrije' gebouwen o.a. in de vorm van vierkante wachthuizen binnen de redoutes. Met de Napoleontische term 'bomvrij' (à l'épreuve de bombe) bedoelde men dat ze bestand waren tegen contemporain geschut. Het waren veelal wachthuizen met zware, gemetselde muren. Enige versterkingen op de dijkaccessen in het Vechtplassengebied die nog uit de Franse tijd dateerden, werden vervangen door eenvoudige forten of redoutes. Vanaf 1853 was de zogenoemde Kringenwet van kracht (overigens opvolger van een eerdere, uit 1814), die bepaalde dat er binnen cirkel van 1000 meter van de forten beperkende bouw- en beplantingsvoorschriften golden i.v.m. een vrij schootsveld. Binnen deze kringen vinden we dan ook soms houten bebouwing. In 1951 werd de Kringenwet opgeschort en in 1963 ingetrokken. Omstreeks 1864 leek de Nieuwe Hollandse Waterlinie min of meer voltooid. Maar ontwikkelingen vóór, tijdens en na de Frans-Duitse oorlog, van 1870, brachten talloze tekortkomingen aan het licht, zowel op bouwkundig en wapen-technisch, als op tactisch gebied. Kolonel Kromhout kreeg de taak de organisatie van de Waterlinie beter te structureren. Er waren veel te weinig bomvrije onderkomens voor manschappen en bomvrije magazijnen voor munitie. Bovendien bleken de zware muren van de hoge forttorens lang niet zo 'bomvrij' als ze heetten te zijn. Maar ook de nieuwe en de verbeterde 'bomvrije' forten bleken kort na oplevering alweer verouderd. In de daaropvolgende jaren werden de kwetsbare torens daarom beveiligd. Om de torens tegen directe treffers te beschermen, werd een zogenoemde 'contrescarp' aangebracht, een halfrond gaande aanaarding van een dik kleipakket of anders een gemetselde en aangeaarde galerij die los stond van de toren en daar in een ruime halve cirkelvorm omheen lag. Ook veel andere bomvrije wachthuizen kregen een stevige aarden dekking.

De derde bouwperiode (1867- ca. 1872) volgde na de uitvinding van geschut met 'getrokken loop' (ca. 1860). Dit ver dragende en nauwkeuriger geschut maakte duidelijk dat veel werken in de Waterlinie toch zeer kwetsbaar waren. De forten misten dekkingsmogelijkheden voor manschappen en materieel. Er was behoefte aan bomvrije remises voor geschut en bomvrije kazernes voor de manschappen. Bovendien dienden de wallen te worden verzwaard. Door de toegenomen reikwijdte van de projectielen moesten de steden Naarden en Utrecht, die hierdoor in de frontlinie kwamen te liggen, op grotere afstand worden verdedigd. Daarom werden vooruitgeschoven posten aangelegd. Het centraal gelegen Utrecht was al een kruispunt van wegen, maar werd sinds de jaren '60 ook een knooppunt van een nieuwe vorm van infrastructuur: de spoorwegen. De ring van zes oudere forten die Utrecht beschermde, lag ten opzichte van de mogelijke posities van vijandelijk geschut te dicht bij de stad. Daarom is verder oostwaarts van de Domstad een tweede, vooruitgeschoven fortenkring aangelegd. Verder vonden langs de Lek waterstaatkundige verbeteringen plaats voor eventuele inundaties rond Utrecht: zo kwam er een nieuwe inlaatsluis bij Wijk bij Duurstede en vonden er inlaatverbeteringen plaats bij vanaf Fort Honswijk. Begin jaren '70 realiseerde de regering zich dat het Nederlandse defensieapparaat de voorgaande drie decennia sterk onder de bezuinigingen had geleden. Daarom diende de Minister van Oorlog de zogenoemde Vestingwet (1874) in. Deze kende onder meer prioriteit toe aan de verbetering en vernieuwing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoeksteen van de Nederlandse verdediging. In acht jaar dienden nieuwe werkzaamheden voor de hoofdverdedigingslinie te worden verwezenlijkt. Daarmee ging men de vierde bouwperiode (ca. 1871-1886) in, die in feite een voortzetting was van de derde, maar op andere gronden. De Waterlinie was nog maar amper ingericht volgens de laatste eisen van grote defensieve kracht, of in 1885 werd de brisantgranaat ingevoerd. Tegen dit explosieve projectiel was geen fort bestand. L'histoire se répète: op slag waren de forten van de gemoderniseerde Waterlinie opnieuw verouderd en dus onbetrouwbaar. Tevens bleken de forten niet meer geschikt als opstellingsplaats voor vestinggeschut. De geschiedenis van de vestingbouw leert dat de ontwikkelingen van de verdedigingsmethoden voortdurend achterlopen op die van de aanvalswapens. Om trefkans te verkleinen, moesten manschappen en geschut voortaan dan ook worden gespreid in het linielandschap. Forten vervulden intussen nog wel een rol als stormvrij infanteriesteunpunt. Sindsdien speelde 'maskering' (camouflage) door beplantingen op en bij de forten een rol. In deze periode werden op veel forten, behalve fortwachterswoningen, ook houten genie- en artillerieloodsen gebouwd om het materieel in vredestijd vochtvrij te stallen. Ondertussen vond toch op grote schaal nieuwbouw plaats in de Waterlinie. Van noord tot zuid verrezen nieuwe forten en batterijen in de Linie om een aaneengesloten 'snoer' van steunpunten op bepaalde afstand van elkaar te realiseren. Daarna kwam de fortenbouw tot stilstand. Het nut en de kracht van de geld verslindende en snel verouderende forten van de Waterlinie stonden aan het eind van de negentiende eeuw ter discussie. Het accent van de landsverdediging werd van de zogenaamde 'dode weermiddelen' verlegd naar 'levende defensie', met mobiele strijdkrachten die verspreid in de Linie in en vanuit veldversterkingen zouden moeten opereren om een (storm)aanval met de nieuwste wapens te weerstaan. Hiernaast moest echter ook rekening worden gehouden met een aantal waterstaatkundige veranderingen: de aanleg van het Merwedekanaal, rond 1890, was wel de belangrijkste. Het zorgde voor een belangrijke wijziging in het inundatiesysteem.

Ontwikkelingen vóór en in WO I, het Interbellum en WO II

Kort voor en in de eerste jaren van de 20ste eeuw zijn op meerdere plaatsen gemetselde en later ook betonnen onderkomens en opstellingsplaatsen voor geschut tot stand gebracht, waarbij met name experimenten met gewapend beton interessante resultaten gaven. Tijdens de mobilisatie van de Eerste Wereldoorlog werden (veld)versterkingen voor artillerie, infanterie en munitieopslag aangelegd, waarbij met name de gewapend betonnen Schuilplaatsen Type 1918 /I en /II in flinke aantallen tot stand kwamen en karakteristiek zijn. In het Interbellum zijn onder meer zware betonnen werken gebouwd volgens het zogenoemde 'Voorschrift Inrichten Stellingen, no. 77', uit 1928. 'VIS-kazematten' komen op meerdere plaatsen voor bij (nieuwe) accessen. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog kwamen, naast honderden Groepsschuilplaatsen Type P, talrijke Gietstalen Koepelkazematten Type G gebouwd. Verder bepaalden onder meer loopgravenstelsels, 'groepsnesten', prikkeldraadversperringen, gevechtswagenversperringen (tankhindernissen) en tankgrachten het gezicht van de 'jongste' Waterlinie. Op en bij de forten verschenen de moderne golfplaten Nissen-hutten en Romney-loodsen voor diverse doeleinden. En last but not least: in en rond de jaren '30 zijn op diverse plaatsen toevoegingen, veranderingen en verbeteringen aan het inundatiesysteem tot stand gebracht. Zelfs het Noordzeekanaal ging een rol spelen in het netwerk van aanvoerwegen en water was in die tijd dan ook nog lang niet afgeschreven als weermiddel. De Nieuwe Hollandse Waterlinie verloor zijn militaire functie formeel in 1963, maar als grootschalig complex van infrastructurele waarden en als biotoop en bleef de Linie tot op heden van nationaal belang.

COMPLEX WERKEN BIJ GRIFTENSTEIJN

Inleiding complex

Het complex WERKEN BIJ GRIFTENSTEIJN bestaat hoofdzakelijk uit kleine betonnen werken en dankt zijn ontstaan aan de veranderde krijgstechniek vanaf het einde van de 19de eeuw. Het complex ontstond in fasen vanaf het begin van de 20ste eeuw - de oudste nog bestaande delen dateren van ongeveer 1914 - en de (betonnen) werken kregen, in samenhang met uitgebreide aard- en waterwerken, hun grootste omvang in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. De eerste aanleg bestond uit aardwerken en met hout en staal versterkte schuilplaatsen. Deze zijn in 1915 en 1917 vervangen door en aangevuld met betonnen werken. Zijn naam dankt het complex aan het nog bestaande nabijgelegen huis Griftenstein, dat op zijn beurt was vernoemd naar de Biltsche Grift of Biltsche Vaart. De werken zijn tot stand gekomen als aanvulling op en ter vervanging van de verdediging door middel van forten van accessen door de inundatiezone ten noorden (en noordoosten) van de stad Utrecht. Het gebied werd tot die tijd verdedigd door middel van een aantal forten - in het bijzonder het Werk aan de Hoofddijk (1877-1879) en Fort Voordorp (1869), beide deel van de vooruitgeschoven, tweede fortificatiering van Utrecht, 1867-1872). Het geschut van deze forten en hun werken bestreek weliswaar de accessen, maar desondanks werd in het begin van de 20ste eeuw besloten de geconcentreerde verdediging gedeeltelijk te vervangen door en aan te vullen met verspreide gevechtsopstellingen. Het ging hierbij vooral om kleine betonnen werken tussen, rondom en ook op de forten. Deconcentratie van de verdediging was onder meer een antwoord op de komst van het getrokken geschut (met roterende puntvormige projectielen), de brisantgranaat (met hoogexplosieve springlading) en op het verschijnen van mobiel en verdragend geschut. In de laatste decennia van de 19de eeuw werden forten zo gemakkelijke en kwetsbare doelwitten die grote risico's opleverden door de erin geconcentreerde functies. Vanaf het einde van de 19de eeuw werd daarom een deconcentratie van functies uitgevoerd, onder meer in de vorm van de aanleg van tussenbatterijen, al dan niet voorzien van betonnen batterijschuilplaatsen. Verder legde men (in lineair verband) tussen de forten (semi)permanente en tijdelijke werken aan, zoals kilometers lange 'gedekte wegen' en vaak ook tientallen aarden en betonnen werken. Hieronder waren lange aarden wallen, in mobilisatietijd aan te leggen (gemetselde, houten en aarden) loopgraven, manschappenopstellingen, manschappenschuilplaatsen, geschutsopstellingen (kazematten) en versperringen, e.d. Ook de opkomst van veel snellere aanvals- en vervoersmiddelen - zowel over land als door de lucht - waardoor verrassingsaanvallen mogelijk werden, speelde hierbij een rol, vooral in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Deconcentratie van de verdediging was een verschijnsel dat zich op veel plaatsen voordeed, maar vooral in het vlakke en 'overzichtelijke' Nederland. De onderdelen van het complex Werken bij Griftensteijn liggen in een duidelijk herkenbaar lineair verband ter weerszijden van de Utrechtseweg (ca. 500 m oostelijk van het viaduct van de A 27). Het complex strekt zich met enkele slingers van noordwest naar zuidoost uit over ongeveer 700 m, maar maakte eerder al deel uit van een langere loopgravenstelling. Ten oosten en zuidoosten van de stelling bevinden zich resten van een slotensysteem dat is ontstaan door uitgraving van aarde ten behoeve van de aanleg van de wallen en dat tevens functioneerde als hindernis uit 1914-1918 en verder ook restanten van een (anti)tankgracht uit 1939-1940. Omstreeks 2015 wordt gewerkt aan gedeeltelijke restauratie van de werken en aan het toegankelijk en presentabel maken ervan. (Dit betreft de noordzijde van de Utrechtseweg) De verdere uitvoering van de in 2012 door de gemeente De Bilt goedgekeurde plannen zal nog geruime tijd in beslag nemen. Ze omvatten een breeds scala aan conserverende en reconstruerende onderdelen.

Ligging en relatie

Het complex WERKEN BIJ GRIFTENSTEIJN werd in de eerste helft van de 20ste eeuw in twee fasen gerealiseerd als verdediging van het belangrijke acces van de Utrechtseweg en als voorverdediging van het aanzienlijk dichter tegen de stad gelegen Fort De Bilt (Fort op de Biltse Straatweg). Tevens functioneerde het werk als een tussenstelling tussen de Forten Voordorp (n) en Hoofddijk (z). Er zijn in de mobilisaties van 1914-1918 en 1939-1940 onder meer tientallen betonnen (groeps)schuilplaatsen tot stand gebracht en verder zeldzame kazematten (uit de periode 1914-1918) en gietstalen koepelkazematten (1939-1940) en een of meer betonnen tankversperringen. Van de laatste zijn thans geen zichtbare resten meer aanwezig, maar er zijn nog wel resten of sporen onder het wegdek of in de bermen aanwezig; de bijbehorende (anti)tankgracht is nog wel in het terrein te herkennen. Binnen het complex Werken bij Griftensteijn liggen nu nog meer dan 15 Groepsschuilplaatsen Type P en in totaal vijf kazematten in een nog herkenbaar lineair verband. De werken liggen binnen de te inunderen poldergebieden ten oosten van de stad en werden gedekt door de drie genoemde forten. Het complex Werken bij Griftensteijn vertegenwoordigt zeldzaamheidswaarden vanwege de concentratie van verschillende (zeldzame) typen werken en de aanleg.

Omschrijving complex

Het complex WERKEN BIJ GRIFTENSTEIJN is tot stand gekomen als aanvulling op de verdediging van een van de belangrijkste accessen door de inundatiekommen ten oosten van de stad Utrecht, namelijk de as Utrechtseweg-Biltse Straatweg. Het complex bestaat in hoofdzaak uit een ongeveer 700 m lang lint van Groepsschuilplaatsen Type P (Piramide) uit de periode 1939-1940 en omvat verder onder meer drie Gietstalen Koepelkazematten Type G en twee zeldzame, dubbele betonnen mitrailleurkazematten uit 1917. De werken zijn in lineair verband gegroepeerd en liggen ten dele gedekt achter een aarden wal en oostelijk hiervan (resten) van natte kommen, die samen deel uitmaken van de aanleg van het complex. Ten oosten en zuidoosten van het werk zijn sloten, ontstaan door uitgravingen in 1914-1918, in verband gebracht met een doorlopende (anti)tankgracht uit 1939-1940. In de bodem kunnen resten en sporen van loopgraven, groepsnesten, wateren en andere tijdelijke of (semi)permanente weermiddelen aanwezig zijn. Het complex laat de relatie met schoots- en inundatievelden en met het te verdedigen accessen nog goed zien.

De bescherming van het complex WERKEN BIJ GRIFTENSTEIJN betreft de volgende complexonderdelen:

- LINEAIRE AANLEG VAN INFANTERIESTELLING MET AARDEN WAL EN (RESTEN) VAN WATERWERKEN

- GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P

- BETONBLOKKEN VAN GIETSTALEN KOEPELMATTEN TYPE G

- SCHUILPLAATS TYPE 1915

- BETONNEN OBSERVATIEPOST MET TOEGANGSSLUIS

- TWEE DUBBELE MITRAILLEURKAZEMATTEN

- TANKHINDERNIS / (ANTI)TANKGRACHT

- BETONNEN BRUG

Waardering complex

Het complex WERKEN BIJ GRIFTENSTEIJN is van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is aangelegd en daarna door anderen gedurende meer dan 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Architectuurhistorische waarden in het bijzonder als uiting van de militair-strategische bouwkunde, die gebaseerd is op: a. het systeem van inundatie en accesverdediging (19de en 20ste eeuw), b. de wedloop met de zich versterkende offensieve middelen (20ste eeuw), c. het systeem van 'levende' veldversterking in de diepte (20ste eeuw).

Het betreft hier een complex betonnen werken uit de eerste helft van de 20ste eeuw, dat ten dele tot stand kwam gedurende de Eerste Wereldoorlog en verder is uitgebreid en versterkt in de aanloop tot de Tweede Wereldoorlog en dat een aanvulling op en een gedeeltelijke vervanging van de bestaande verdediging van accessen door middel van forten was.

* Krijgshistorische en systeemwaarden als onderdeel van een aaneengesloten militaire verdedigingslinie tussen de voormalige Zuiderzee en de Biesbosch. Deze bestond hoofdzakelijk uit een samenhangend systeem van inundatievelden en bijbehorende inundatiemiddelen en van schootsvelden. Dit systeem werd aangevuld met diverse, uit verschillende perioden daterende typen gebouwde of aangelegde verdedigingswerken die dienden ter afsluiting en verdediging van niet te inunderen terreinen of andere accessen.

* Ensemblewaarde en situationele waarden vanwege zijn ligging binnen het systeem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in het algemeen en in het bijzonder in de directe relatie tot de Forten De Bilt, Voordorp en Hoofddijk. Tevens vanwege historisch-ruimtelijke, functionele en fysieke samenhang en de herkenbaarheid van de onderdelen van het complex en vanwege een tamelijk gave relatie met schootsvelden en inundatievelden.

* Archeologische waarden vanwege mogelijk in de bodem aanwezige sporen of resten van aarden, houten of betonnen loopgraven, versperringen, bouwwerken en dergelijke.

* Het complex is representatief (karakteristiek) omdat het nog steeds de eigen fysieke kenmerken en enige omgevingskenmerken vertoont die destijds tot bouw en aanpassing aanleiding waren. Het complex is verder representatief (karakteristiek) omdat het duidelijk herkenbaar als gedeconcentreerde, extra versterkte verdedigingslijn deel uitmaakte van het bestaande fortificatiestelsel.

Het complex vertegenwoordigt zeldzaamheidswaarden door de fysiek herkenbare lineaire aanleg als weermiddel op een belangrijk acces en door het erin voorkomen van enige als elementen zeldzame beton- en aardwerken, waaronder kazematten uit de Eerste Wereldoorlog.

* Het complex is tamelijk gaaf bewaard omdat qua structuur en fysiek voorkomen een belangrijk deel van de toestand in de jaren '40 van de 20ste eeuw - en tevens met zeldzame elementen van de periode 1914-1918 - is bewaard.

Eigenschappen

Functies
Functie Hoofdcategorie Subcategorie Functietype Is hoofdfunctie
Verdedigingswerken en militaire gebouwen Open verdedigingswerk oorspronkelijke functie Ja
Adressen
Straat Getal Achtervoegsel Postcode Plaats Locatie Situatie Is hoofdadres
Utrechtseweg 351 3731 GB De Bilt BY Ja
Types
Hoofdcategorie Subcategorie Beschrijving Notitie
Verdedigingswerken en militaire gebouwen Open verdedigingswerk
Percelen
Kadastraal perceel Kadastrale sectie Kadastraal object Appartement Kadastrale gemeente
C 2133 De Bilt
C 2134 De Bilt
M 149 De Bilt
Naar boven