532423, Utrecht

Cluster 45. Groepsschuilplaatsen Type P.

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

Inleiding

TWEE GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P (NIET VOLTOOID) op Lunet II als 20ste-eeuwse, in serie gebouwde (, beoogde) toevoegingen aan de bestaande verdediging. De twee onvoltooide groepsschuilplaatsen binnen complex Lunet II liggen niet ver van elkaar op de noordelijke helft van het werk. Dergelijke werken maakten deel uit van de modernisering van de verdediging door middel van zogenoemde 'levende veldversterking', die meestal een verspreid karakter bezat. Groepsschuilplaatsen Type P zijn volgens min of meer uniform of standaardontwerp in de jaren 1939-1940 op meerdere plaatsen in Nederland gebouwd. Het totaal aantal gebouwde exemplaren bedraagt circa 700, waarvan in de Nieuwe Hollandse Waterlinie ongeveer 570; het merendeel (ca. 400) hiervan bestaat nog. Het bouwprogramma van de Groepsschuilplaatsen Type P was bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog niet afgerond en van een aantal exemplaren is bekend dat ze nooit zijn voltooid. Type P (vanwege de markante vorm ook wel 'de piramide' genoemd) is vermoedelijk het meest bekende type betonnen verdedigingswerk in Nederland. Het type kwam voort uit het zogenoemde VIS 77 (Voorschrift Inrichten Stellingen no. 77), uit 1928, en had onder meer als bestemming deel uit te maken van de verdediging van een aantal bestaande en nieuwe accessen, waaronder vooral (autosnel)wegen en (geëlektrificeerde of te elektrificeren) spoorwegen. De Groepsschuilplaats Type P kwam gewoonlijk tot stand in de directe nabijheid van reeds bestaande of in dezelfde tijd gerealiseerde kazematten, geschutsopstellingen, versterkingen of loopgraven. Doordat de loopgraven en andere (aard)werken later vrijwel overal zijn geëffend of gesloopt, liggen de betonnen schuilplaatsen tegenwoordig nogal eens voor een deel beneden het maaiveld. De van oudsher geheel gesloten voorzijde of frontzijde van de Groepsschuilplaatsen Type P was in veel gevallen gedekt door aardwerken die deel konden uitmaken van een glacis ter bescherming van de loopgraaf of een gedekte weg. Deze aardwerken zijn thans meestal niet meer aanwezig of nog slechts met moeite herkenbaar, maar met name op forten of in anderszins geaccidenteerd terrein zijn ze soms nog wel aanwezig. Er bestaan diverse varianten van het Type P, zowel qua maatvoering en dekkingsklasse als in uitvoering en detaillering. Zo zijn er exemplaren gebouwd in de dekkingsklassen W 15-21 en W 21-28 bij maten die uiteenlopen van circa 5.50 x 7.20 x 4.70 m tot 6.50 x 8.20 x 4.90 m (b x d x h). Er zijn talrijke exemplaren van het Type P gebouwd in inundeerbare gebieden, waarbij in een aantal gevallen een zichtbaar geworden paalfundering is toegepast, terwijl vaak een keermuur en incidenteel een trog met trap ter kering van inundatiewater is ingebracht in de dan hoog gelegen, vierkante toegang en bij nog weer andere is een rondom uitstekende betonnen funderingsplaat aanwezig. Onvoltooid gebleven exemplaren kunnen in verschillende afgebroken stadia van hun bouw verkeren. De beide exemplaren op Lunet II omvatten een fundering en een deel van de opbouw, maar ze zijn van boven open gebleven en bieden een goed zicht op de plattegrond en (de zwaarte van) de constructie.

Omschrijving

De TWEE GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P (NIET VOLTOOID) op Lunet II liggen op de noordelijke helft van het werk, achter de wal. Ze omvatten een fundering en een begin van de opbouw, tot en met de vierkant uitgevoerde toegang. Een dak ontbreekt geheel, waardoor de plattegrond goed zichtbaar is en de werken een bijzondere meerwaarde kennen. De Groepsschuilplaatsen Type P zijn gebouwd op een rechthoekig grondplan van ongeveer 5.50 x 720 x 4.70 m (b x d x h). De herkenbare plattegrond van de Groepsschuilplaatsen Type P bestaat uit een korte gang en een van daaruit naar links gerichte 'sluis' die afgrendelbaar moest zijn door een (uit meerdere delen bestaande) zware, stalen deur met grendels. Via een tweede, vergelijkbare deur moest rechtsom een achterliggende, vrijwel vierkante ruimte bereikbaar zijn, de echte schuilplaats. Er zijn nauwelijks interieuronderdelen aanwezig, maar wel de aanzetten daartoe.

Waardering

De TWEE GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P (NIET VOLTOOID) op Lunet II zijn van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is aangelegd en daarna door anderen gedurende ongeveer 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Architectuurhistorische waarden, in het bijzonder als uiting van de militair-strategische bouwkunde, die gebaseerd is op: a. het systeem van inundatie en accesverdediging (20ste eeuw), b. de wedloop met de zich versterkende offensieve middelen (20ste eeuw), c. het systeem van 'levende' veldversterking in de diepte (20ste eeuw).

Het betreft hier twee voorbeelden van onvoltooid gebleven, gewapend betonnen manschappenschuilplaatsen op een lunet, zonder dak en interieur, uit de periode 1939-1940.

* Ensemblewaarde en situationele waarden als onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tevens vanwege de functionele en fysieke samenhang met de overige onderdelen van het complex.

* De onderdelen zijn representatief (karakteristiek) voor de bouwwijze van dergelijke werken en omdat ze duidelijk herkenbaar zijn toegevoegd aan het bestaande fortificatiestelsel. De onderdelen zijn verder karakteristiek omdat ze een relatief schaars, onbelemmerd 'inzicht' bieden in de plattegrond en constructie van dergelijke werken.

* De onderdelen zijn - hoewel onvoltooid - tamelijk gaaf bewaard en laten zich als gebouwde elementen nog goed op het lunet herkennen.

Locatie

Rijksmonument nummer
532423
Complexnaam
NHW-Lunet II
Provincie
Gemeente
Plaats
Complexomschrijving

Cluster 45. Complexomschrijving.

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

COMPLEX LUNET II

Inleiding

De Nieuwe Hollandse Waterlinie vormde van 1815 tot februari 1940 de hoofddefensielinie van het Koninkrijk der Nederlanden. De 85 kilometer lange verdedigingslinie, die is gebaseerd op een uitgestrekte waterbarrière en wordt gesteund door militaire versterkingen, strekte zich uit van de Zuiderzee bij Muiden tot aan de Biesbosch bij Werkendam. De breedte varieerde van slechts enkele honderden meters ten oosten van Utrecht, tot 7,5 km en zelfs meer dan 10 km in de Vijfheerenlanden. Dit typisch Hollandse defensiesysteem van inundaties was de verbeterde voortzetting van de eens zo succesvolle (oude) Hollandse Waterlinie, uit 1672. Het concept voor een waterlinie dateert al uit 1589, toen Prins Maurits opdracht kreeg van de Staten van Utrecht en Holland om te onderzoeken hoe de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op een zo efficiënt mogelijke manier kon worden verdedigd. Door een optimaal gebruik van de geografische ruimtelijke en fysieke omstandigheden kon een bijzondere verdedigingslinie worden aangelegd. Daar waar hoog Nederland overgaat in het laag gelegen poldergebied is het tamelijk eenvoudig om land onder water te zetten door inlaat met behulp van sluizen of via het doorsteken van dijken. Als voeding konden vooral dienen de Vecht (zowel vanuit de Zuiderzee als vanuit de Lek), de grote rivieren (m.n. de Neder-Rijn / Lek) en de Linge. Aan het functioneren en de tastbare onderdelen van deze voornamelijk 'papieren tijger' van waterlinies werd eeuwenlang gesleuteld. Na WOII speelde ook de laatste versie van de Nieuwe Hollandse Waterlinie geen rol van betekenis meer in de hoofddefensie. En in 1951 werden veel onderdelen van de Linie gedeclassificeerd, waarmee de opheffing van de Linie als zodanig een feit was.

Een verbeterde Waterlinie

De grond- en waterslag voor een verbeterde, (nieuwe) Hollandse Waterlinie werd gelegd in de Franse tijd in 1796/97 door de directeur der Hollandse Fortificatiën C.R.T. Kraijenhoff. In zijn 'Memorie betreffende de eerste of capitale Waterlinie' beschrijft beschreef Kraijenhoff gedetailleerd hoe de (oude) Hollandse Waterlinie er toen voorstond en geeft hij aan hoe deze Linie verbeterd zou moeten worden. Tevens bepleitte hij een oostwaartse verlegging ervan de Linie om de stad Utrecht binnen de Linie te brengen. De stad zou dan, beschermd worden door een aaneenschakeling van 'voorposten'. Dit niet alleen omdat Utrecht een belangrijke garnizoensstad was, maar vooral om te voorkomen dat de vijand de waterhindernis zou kunnen aftappen. De aanbevelingen die hij deed vormden het concept voor wat later de Nieuwe Hollandse Waterlinie zou gaan worden. In 1811 werden de plannen zelfs door Keizer Napoleon goedgekeurd: "La ligne de Naarden à Gorcum doit donc être considérée comme la vraie ligne de l'Empire." Mede vanwege militaire en politieke ontwikkelingen werd het plan toen echter niet verder uitgewerkt. Na het vertrek van de Fransen, bij de aanloop tot het ontstaan van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden, in het najaar van 1814, diende Kraijenhoff een nota in waarin zijn voorstellen uit 1796 en 1811 waren geactualiseerd. Daarop besloot Koning Willem I in het voorjaar van 1815 tot de aanleg van een nieuwe Waterlinie - toen nog 'Utrechtse Linie' genoemd. De militaire en waterstaatkundige werken voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie zouden het grootste en duurste infrastructurele project worden dat ooit in Nederland is uitgevoerd.

Bouwen aan een perfect systeem

Evenals de 'oude' Hollandse Waterlinie steunde de 'Nieuwe' op uitgebreide - maar nu beter beheersbare - inundaties, waarbij forten en batterijen de inlaatpunten (sluizen) beschermden en de niet te inunderen terreinstroken en andere 'accessen' afsloten door ze onder vuur te kunnen houden. Samen met de waterbouwkundige Jan Blanken Jzn., inspecteur-generaal van Waterstaat, ontwikkelde Kraijenhoff, als inspecteur-generaal der Fortificaties (1814-1826), de 'natte' plannen voor de Nieuwe Waterlinie. Aan majoor-ingenieur Willem Offerhaus werd opdracht gegeven voor de bouw van een fortenkring om Utrecht, dus voor de 'droge' plannen. Van Muiden tot aan Vesting Nieuwersluis werd het tracé van de (oude) Hollandse Waterlinie langs de Vecht aangehouden. Vanaf Nieuwersluis volgde de nieuwe linie de Vecht, tot enkele kilometers ten noorden van Utrecht. Daar moest de linie oostelijk om de stad heen buigen, om vervolgens langs de Vaartse Rijn verder te lopen tot aan de sluizen van Vreeswijk aan de Lek. Ten zuiden hiervan sloot de nieuwe Waterlinie aan op een waterbarrière die al in 1787 was verplaatst naar de Diefdijk en de Linge. Er dienden vijf zogenoemde 'inundatiekommen' te komen met op de accessen permanente verdedigingswerken. Op een zestal cruciale plaatsen werden (vermoedelijk door Blanken uitgevonden en ontworpen) waaierdeursluizen gebouwd. Deze sluizen, die ook tegen hoog water in geopend konden worden, waren ideaal voor militaire inundaties / doeleinden. De inrichting van een optimaal inundatiestelsel en de aanleg van de onmisbare permanente verdedigingswerken duurden, met onderbrekingen, van 1815 tot 1886. Dat de realisatie van de nieuwe Waterlinie zoveel tijd kostte, had alles te maken met de (internationale) politieke en militair-technische ontwikkelingen en de ingrijpende infrastructurele en waterstaatkundige veranderingen gedurende de negentiende eeuw. We kunnen in die eeuw een viertal bouwperioden onderscheiden. In de eerste fase van 1815-1826 werden de versterkingen rondom Utrecht gerealiseerd. Vervolgens bouwde de Dienst der Fortificatiën van 1841 tot 1864 de torenforten (eigenlijk: forttorens) bij de rivieraccessen, waarna tussen 1867-1872 op vele plaatsen in de Linie verbeteringen plaatsvonden. Ten slotte werden tussen 1871 en 1886 de laatste forten van de Linie gebouwd, alle bestaande uit (gesloten) aardwerken met daarbinnen aard gedekte gebouwen. In de twintigste eeuw veranderden de militaire tactieken drastisch en zijn hiernaast (veld)versterkingen tussen (en op) de forten aangelegd met diverse typen werken van gewapend beton.

Bouwfasen in de negentiende eeuw

Gedurende de eerste bouwfase werd tussen 1816 en 1826 op de kwetsbare accessen rondom Utrecht een vijftal forten gebouwd. De eenvoudige werken bestonden uit aarden omwallingen, die precies in het hart van de te beveiligen weg of kade waren gelegen. De forten werden omgeven door een gracht en op de hoofdwal was de opstelplaats voor het geschut. De vorm en de omvang van de forten werden bepaald door de breedte van het acces en de ligging van de inundatiemiddelen. Verder werden op de hoog gelegen - en dus niet te inunderen - Houtense Vlakte vier lunetten gebouwd. Deze V-vormige versterkingen werden voorzien van zware bakstenen bekledingsmuren. Ten zuiden van Utrecht bouwde men ter bescherming van enkele inundatiesluizen forten bij Jutphaas, Vreeswijk en - aan de overzijde van de Lek (Neder-Rijn) - tussen Vianen en Culemborg. De volgende bouwfase diende zich aan nadat Nederland in 1839 België als zelfstandige staat had erkend. Reorganisatie en vernieuwing van het verdedigingsstelsel waren nodig. Koning Willem II besloot tot een geconcentreerde verdediging, met de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoofddefensielinie. De vestingen en linies aan de landsgrenzen dienden om een eventuele vijandelijke opmars te vertragen, zodat de inundaties van Waterlinie tijdig konden worden gerealiseerd. De tweede actieve bouwperiode van de waterlinie duurde van 1841 tot 1864 en vond plaats ondanks ingrijpende bezuinigingen op defensie (de omvang van het leger werd gehalveerd). Onder leiding van genieofficier Merkes van Gendt werden op de dijkaccessen langs de rivieren torenforten gebouwd. Onder meer bij de rivieraccessen van Vecht, Lek, Linge en Waal verrezen ronde, bakstenen forttorens. In diezelfde periode kregen diverse kleinere werken van de linie 'bomvrije' gebouwen o.a. in de vorm van vierkante wachthuizen binnen de redoutes. Met de Napoleontische term 'bomvrij' (à l'épreuve de bombe) bedoelde men dat ze bestand waren tegen contemporain geschut. Het waren veelal wachthuizen met zware, gemetselde muren. Enige versterkingen op de dijkaccessen in het Vechtplassengebied die nog uit de Franse tijd dateerden, werden vervangen door eenvoudige forten of redoutes. Vanaf 1853 was de zogenoemde Kringenwet van kracht (overigens opvolger van een eerdere, uit 1814), die bepaalde dat er binnen cirkel van 1000 meter van de forten beperkende bouw- en beplantingsvoorschriften golden i.v.m. een vrij schootsveld. Binnen deze kringen vinden we dan ook soms houten bebouwing. In 1951 werd de Kringenwet opgeschort en in 1963 ingetrokken. Omstreeks 1864 leek de Nieuwe Hollandse Waterlinie min of meer voltooid. Maar ontwikkelingen vóór, tijdens en na de Frans-Duitse oorlog, van 1870, brachten talloze tekortkomingen aan het licht, zowel op bouwkundig en wapen-technisch, als op tactisch gebied. Kolonel Kromhout kreeg de taak de organisatie van de Waterlinie beter te structureren. Er waren veel te weinig bomvrije onderkomens voor manschappen en bomvrije magazijnen voor munitie. Bovendien bleken de zware muren van de hoge forttorens lang niet zo 'bomvrij' als ze heetten te zijn. Maar ook de nieuwe en de verbeterde 'bomvrije' forten bleken kort na oplevering alweer verouderd. In de daaropvolgende jaren werden de kwetsbare torens daarom beveiligd. Om de torens tegen directe treffers te beschermen, werd een zogenoemde 'contrescarp' aangebracht, een halfrond gaande aanaarding van een dik kleipakket of anders een gemetselde en aangeaarde galerij die los stond van de toren en daar in een ruime halve cirkelvorm omheen lag. Ook veel andere bomvrije wachthuizen kregen een stevige aarden dekking.

De derde bouwperiode (1867- ca. 1872) volgde na de uitvinding van geschut met 'getrokken loop' (ca. 1860). Dit ver dragende en nauwkeuriger geschut maakte duidelijk dat veel werken in de Waterlinie toch zeer kwetsbaar waren. De forten misten dekkingsmogelijkheden voor manschappen en materieel. Er was behoefte aan bomvrije remises voor geschut en bomvrije kazernes voor de manschappen. Bovendien dienden de wallen te worden verzwaard. Door de toegenomen reikwijdte van de projectielen moesten de steden Naarden en Utrecht, die hierdoor in de frontlinie kwamen te liggen, op grotere afstand worden verdedigd. Daarom werden vooruitgeschoven posten aangelegd. Het centraal gelegen Utrecht was al een kruispunt van wegen, maar werd sinds de jaren '60 ook een knooppunt van een nieuwe vorm van infrastructuur: de spoorwegen. De ring van zes oudere forten die Utrecht beschermde, lag ten opzichte van de mogelijke posities van vijandelijk geschut te dicht bij de stad. Daarom is verder oostwaarts van de Domstad een tweede, vooruitgeschoven fortenkring aangelegd. Verder vonden langs de Lek waterstaatkundige verbeteringen plaats voor eventuele inundaties rond Utrecht: zo kwam er een nieuwe inlaatsluis bij Wijk bij Duurstede en vonden er inlaatverbeteringen plaats bij vanaf Fort Honswijk. Begin jaren '70 realiseerde de regering zich dat het Nederlandse defensieapparaat de voorgaande drie decennia sterk onder de bezuinigingen had geleden. Daarom diende de Minister van Oorlog de zogenoemde Vestingwet (1874) in. Deze kende onder meer prioriteit toe aan de verbetering en vernieuwing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoeksteen van de Nederlandse verdediging. In acht jaar dienden nieuwe werkzaamheden voor de hoofdverdedigingslinie te worden verwezenlijkt. Daarmee ging men de vierde bouwperiode (ca. 1871-1886) in, die in feite een voortzetting was van de derde, maar op andere gronden. De Waterlinie was nog maar amper ingericht volgens de laatste eisen van grote defensieve kracht, of in 1885 werd de brisantgranaat ingevoerd. Tegen dit explosieve projectiel was geen fort bestand. L'histoire se répète: op slag waren de forten van de gemoderniseerde Waterlinie opnieuw verouderd en dus onbetrouwbaar. Tevens bleken de forten niet meer geschikt als opstellingsplaats voor vestinggeschut. De geschiedenis van de vestingbouw leert dat de ontwikkelingen van de verdedigingsmethoden voortdurend achterlopen op die van de aanvalswapens. Om trefkans te verkleinen, moesten manschappen en geschut voortaan dan ook worden gespreid in het linielandschap. Forten vervulden intussen nog wel een rol als stormvrij infanteriesteunpunt. Sindsdien speelde 'maskering' (camouflage) door beplantingen op en bij de forten een rol. In deze periode werden op veel forten, behalve fortwachterswoningen, ook houten genie- en artillerieloodsen gebouwd om het materieel in vredestijd vochtvrij te stallen. Ondertussen vond toch op grote schaal nieuwbouw plaats in de Waterlinie. Van noord tot zuid verrezen nieuwe forten en batterijen in de Linie om een aaneengesloten 'snoer' van steunpunten op bepaalde afstand van elkaar te realiseren. Daarna kwam de fortenbouw tot stilstand. Het nut en de kracht van de geld verslindende en snel verouderende forten van de Waterlinie stonden aan het eind van de negentiende eeuw ter discussie. Het accent van de landsverdediging werd van de zogenaamde 'dode weermiddelen' verlegd naar 'levende defensie', met mobiele strijdkrachten die verspreid in de Linie in en vanuit veldversterkingen zouden moeten opereren om een (storm)aanval met de nieuwste wapens te weerstaan. Hiernaast moest echter ook rekening worden gehouden met een aantal waterstaatkundige veranderingen: de aanleg van het Merwedekanaal, rond 1890, was wel de belangrijkste. Het zorgde voor een belangrijke wijziging in het inundatiesysteem.

Ontwikkelingen vóór en in WO I, het Interbellum en WO II

Kort voor en in de eerste jaren van de 20ste eeuw zijn op meerdere plaatsen gemetselde en later ook betonnen onderkomens en opstellingsplaatsen voor geschut tot stand gebracht, waarbij met name experimenten met gewapend beton interessante resultaten gaven. Tijdens de mobilisatie van de Eerste Wereldoorlog werden (veld)versterkingen voor artillerie, infanterie en munitieopslag aangelegd, waarbij met name de gewapend betonnen Schuilplaatsen Type 1918 /I en /II in flinke aantallen tot stand kwamen en karakteristiek zijn. In het Interbellum zijn onder meer zware betonnen werken gebouwd volgens het zogenoemde 'Voorschrift Inrichten Stellingen, no. 77', uit 1928. 'VIS-kazematten' komen op meerdere plaatsen voor bij (nieuwe) accessen. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog kwamen, naast honderden Groepsschuilplaatsen Type P, talrijke Gietstalen Koepelkazematten Type G gebouwd. Verder bepaalden onder meer loopgravenstelsels, 'groepsnesten', prikkeldraadversperringen, gevechtswagenversperringen (tankhindernissen) en tankgrachten het gezicht van de 'jongste' Waterlinie. Op en bij de forten verschenen de moderne golfplaten Nissen-hutten en Romney-loodsen voor diverse doeleinden. En last but not least: in en rond de jaren '30 zijn op diverse plaatsen toevoegingen, veranderingen en verbeteringen aan het inundatiesysteem tot stand gebracht. Zelfs het Noordzeekanaal ging een rol spelen in het netwerk van aanvoerwegen en water was in die tijd dan ook nog lang niet afgeschreven als weermiddel. De Nieuwe Hollandse Waterlinie verloor zijn militaire functie formeel in 1963, maar als grootschalig complex van infrastructurele waarden en als biotoop en bleef de Linie tot op heden van nationaal belang.

Complex LUNET II

Inleiding complex

Het complex LUNET II ten zuidoosten van de oude binnenstad van Utrecht is het op één na noordelijkste van een viertal op een rij gelegen, onderling vergelijkbare werken. De vier lunetten [Frans: verwant met 'lune': (halve) maan; bastionvormig vestingwerk] zijn tussen ca. 1820 en 1830 aangelegd ter verdediging van de Houtense Vlakte. De Houtense Vlakte ligt hoger dan de omgeving, was moeilijk te inunderen en was daardoor een zwakke plek in de Waterlinie. Om deze defensieve zwakte te compenseren werd een linie van vier, in hoofdlijnen gelijkvormige verdedigingswerken aangelegd, die als afsluiting diende van de hoger gelegen rug tussen de Kromme Rijn (n) en het inundatiegebied ten zuiden daarvan. Verder dienden ze ter ondersteuning van de forten 't Hemeltje en Vossegat en bestreken ze een deel van de Kromme Rijn, de wegen naar Bunnik en Houten en de (later aangelegde spoor)wegen naar Arnhem en Den Bosch. Ze kenden dus een belangrijke verdedigingsfunctie voor de accessen ten zuidoosten van Utrecht. Een lunet is een (klein) vestingwerk, met twee onder een hoek ten opzichte van elkaar staande frontale zijden (facen) en aansluitend hieraan twee naar achter geknikte zijden (flanken). De twee facen komen samen in een punt (de saillant). De beide knikken en de puntvorm dragen bij aan een ruim schootsveld. Aan de achterzijde (de keel) kan een lunet open zijn. Soms worden lunetten ook wel ravelijn of halve maan genoemd, maar dit meestal wanneer ze onderdeel zijn van een vesting. De vier lunetten ten (zuid)oosten van Utrecht zijn in hoofdzaak aarden werken, die rondom zijn voorzien van bekledingsmuren. De werken worden omringd door natte grachten, die eind jaren vijftig van de 19de eeuw met elkaar zijn verbonden om op die manier deel te gaan uitmaken van een inundatiekanaal. In een latere fase van de ontwikkeling van de vier lunetten zijn de bekledingsmuren - behalve ter plaatse van de flankkazematten - verlaagd tot 2,10 m +NAP. Lunet II is grotendeels in authentieke staat en omvat onder meer nog een 19de-eeuwse houten loods. Tegen het eind van het Interbellum begon men de bouw van Groepsschuilplaatsen Type P op de vier lunetten, maar door verschuiving van de hoofdverdedigingslijn naar de Grebbelinie, in 1940, is dit werk stopgezet. Op Lunet II bleven twee exemplaren onvoltooid. Anders dan op enkele andere lunetten is in deze periode op Lunet II geen kazemat gebouwd. Dergelijke kazematten en ook de groepsschuilplaatsen kleine betonnen werken maakten deel uit van het systeem van 'levende veldversterking'. De houten loods op Lunet II biedt thans onderdak aan diverse kantoorfuncties. De vier lunetten zijn en worden in de jaren rond 2010 ingrijpend gerestaureerd.

Ligging en relatie

De vier lunetten liggen ten (zuid)oosten van Utrecht, van noord naar zuid (I, II, III, IV) aan de Koningsweg het Houtense Pad en de Oude Liesbosweg. Lunet II is het op één na noordelijkste van de vier. Tussen de nummers II en III worden de werken doorsneden door twee divergerende spoorlijnen. Lunet II grenst aan de noordzijde aan de Koningsweg en aan de zuidzijde aan de spoorwegen naar Arnhem en 's-Hertogenbosch. De lunetten sluiten in het zuiden de zogenoemde eerste fortenlinie (ca. 1816-1830) af, die naar het noorden toe achtereenvolgens bestaat uit de forten Vossegat, De Bilt, Blauwkapel en De Gagel. Vanaf ca. 1875 werden de lunetten onderling en met de forten Vossegat, De Bilt en Blauwkapel verbonden door zogenaamde 'gedekte gemeenschapswegen'. Deze lagen achter ten dele nog bestaande, beplante wallen die dienden om materieel en manschappen tussen de forten te verplaatsen zonder in het zicht te zijn van vijandelijke waarnemers van of hinder te kunnen ondervinden van eventueel vijandelijk vuur. Ten (zuid-)oosten van de lunetten liggen de forten 't Hemeltje en Vechten, die deel uitmaakten van de tweede, vooruitgeschoven fortenkring rond Utrecht (ca. 1865-1880). Deze forten werden ondersteund door de verdedigingsfuncties van de lunetten. De entree tot Lunet II bevindt zich aan de westzijde en wordt gevormd door een niet oorspronkelijke brug.

Omschrijving complex

Het complex LUNET II ten (zuid)oosten van Utrecht beslaat ongeveer 1 ha en bestaat ruwweg uit een bijna symmetrisch, relatief langgerekt vijfkantig en geheel met bekledingsmuren omgeven aardlichaam met twee facen, twee flanken en twee puntige bastions, verbonden door een relatief lage, terug liggende courtine aan de keelzijde. De overgangen tussen de verschillende muurdelen vormen scherp getekende begrenzingen. De bastions omvatten geïntegreerde kazematten. Het werk is totaal omgeven door een natte gracht. In het Interbellum zijn twee (uiteindelijk onvoltooid gebleven betonnen werken,) Groepsschuilplaatsen Type P, toegevoegd, die een rol moesten vervullen in de verdediging van de verschillende accessen in dit gebied. De relatie met het schootsveld is nog vrij goed herkenbaar.

De bescherming van Lunet II betreft de volgende complexonderdelen:

- LUNETAANLEG MET DOOR BAKSTENEN BEKLEDINGSMUREN VERSTERKTE AARDWERKEN, RESTEN VAN GESCHUTSOPSTELPLAATSEN, NATTE GRACHT MET BUITENOEVERS, MET (OMLEIDINGS- EN ONDERHOUDS-)WEGEN EN ENVELOPPE / GLACIS EN MET (VOORHEEN) DOOR GRENSPALEN AANGEDUIDE ZONE (MILITAIRE LANDSGROND)

- TWEE FLANKKAZEMATTEN / BOMVRIJE GEBOUWEN

- TWEE GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P (NIET VOLTOOID)

- HOUTEN BERGLOODS (f2)

Waardering complex

Het complex LUNET II ten (zuid)oosten van Utrecht is van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is gerealiseerd en daarna door anderen gedurende meer dan 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Architectuurhistorische waarden in het bijzonder als uiting van de militair-strategische bouwkunde, die gebaseerd is op: a. het systeem van inundatie en accesverdediging (19de eeuw), b. de wedloop met de zich versterkende offensieve middelen (19de eeuw), c. het systeem van 'levende' veldversterking in de diepte (20ste eeuw).

Het betreft hier een complex dat in eerste aanleg een voorbeeld is van een als een met baksteen bekleed aardwerk begonnen werk (1822), dat meer dan een eeuw later is aangevuld met twee onvoltooid gebleven kleine betonnen werken en dat als op één na noordelijkste is gesitueerd van een rij van vier vergelijkbare werken nabij een reeks verschillende accessen op niet inundeerbaar terrein.

* Krijgshistorische waarden als onderdeel van een aaneengesloten militaire verdedigingslinie tussen de voormalige Zuiderzee en de Biesbosch. Deze bestond hoofdzakelijk uit een samenhangend systeem van inundatievelden en bijbehorende inundatiemiddelen en van schootsvelden. Dit systeem werd aangevuld met diverse, uit verschillende perioden daterende typen gebouwde of aangelegde verdedigingswerken die dienden ter afsluiting en verdediging van niet te inunderen terreinen of andere accessen.

* Ensemblewaarde en situationele waarden vanwege zijn ligging binnen het systeem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in het algemeen en in het bijzonder in de directe relatie tot de complexen Lunetten I, III en IV en de forten 't Hemeltje, Vechten en Vossegat. Tevens is hier sprake van een redelijk gave relatie met het schootsveld.

* Het complex is representatief (karakteristiek) omdat het nog de meeste fysieke onderdelen, kenmerken en vele omgevingskenmerken vertoont die destijds tot bouw en aanpassing aanleiding waren.

* Het complex is tamelijk goed bewaard omdat qua structuur en fysiek voorkomen de hoofdzaken van de toestand in de eerste decennia van de 19de eeuw zijn behouden.

Eigenschappen

Functies
Functie Hoofdcategorie Subcategorie Functietype Is hoofdfunctie
Verdedigingswerken en militaire gebouwen Bomvrij militair object oorspronkelijke functie Ja
Adressen
Straat Getal Achtervoegsel Postcode Plaats Locatie Situatie Is hoofdadres
Utrecht Utrecht, Lunet II, Utrecht Ja
Types
Hoofdcategorie Subcategorie Beschrijving Notitie
Verdedigingswerken en militaire gebouwen Bomvrij militair object
Percelen
Kadastraal perceel Kadastrale sectie Kadastraal object Appartement Kadastrale gemeente
U 2172 Utrecht
U 2173 Utrecht
U 2168 Utrecht
O 877 Utrecht
U 2180 Utrecht
U 2169 Utrecht
U 2181 Utrecht
O 878 Utrecht
U 2184 Utrecht
O 1266 Utrecht
Naar boven