Biltsestraatweg 160, Utrecht

Cluster 38. Inundatieduiker 3.

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

Inleiding

(INUNDATIE)DUIKER 3 ten oosten van Fort De Bilt als ondersteunend onderdeel van het inundatiesysteem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de gracht van Fort De Bilt in het bijzonder. Het verdedigingssysteem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie was in de eerste plaats gebaseerd op het gecontroleerd onder water zetten van (grote) terreinoppervlakken. Gecontroleerde inundatie vergde een ingenieus systeem van waterwerken, zoals sluizen, stuwen en kanalen, waarmee het noodzakelijke peil snel en binnen nauwe grenzen gesteld en gehandhaafd kon worden. Er werden vele verschillende typen sluizen toegepast, afhankelijk van de plaats waar ze in het systeem functioneerden. Soms werden reeds bestaande scheepvaart-, uitwaterings- of keersluizen gebruikt, maar ook zijn er vele nieuwe gebouwd of bestaande (sterk) aangepast Met de doortrekking van de Biltsestraatweg door het fort zijn drie betonnen duikers als verbindingen tussen de beide grachthelften gelegd om voldoende doorstroming voor inundatie (en bij sluiting van duikers 1 en 2) via 3 een gelijk waterpeil in de gracht te houden. De duikers maakten deel uit van het lokale verdedigingssysteem en kende een militaire en een civiele functie. Duikers 1 en 2 - inundatieduikers - liggen ten westen van het fort; Duiker 3 ten oosten ervan. De drie duikers kenden een militaire en een civiele functie.

Omschrijving

(INUNDATIE)DUIKER 3 als onderdeel van de rond 1930 dwars door het fort geleide Biltsestraatweg. De duiker bestaat uit een gemetselde constructie met frontmuren en geknikte, hellende keermuren (ca. 4.40 meter breed). De duiker omvat één koker, samengesteld uit ovale rioolbuizen. De duiker heeft een lengte van ca. 40 meter, waarmee de weg wordt gekruist. De duiker is afsluitbaar door middel van een schuif.

Waardering

(INUNDATIE)DUIKER 3 aan de oostzijde van Fort De Bilt is van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is gerealiseerd en daarna door anderen gedurende ongeveer 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Architectuurhistorische waarden, in het bijzonder als uiting van een aan de militair-strategische bouwkunde gerelateerde bebouwing en waterwerken, die gebaseerd zijn op het systeem van inundatie en accesverdediging (20ste eeuw).

Het betreft hier een aan de militair-strategische bouwkunde gerelateerde uiting van historische waterbouwkunde, namelijk een militaire en civiele duiker van omstreeks 1930.

* Ensemblewaarde en situationele waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tevens vanwege de functionele en fysieke samenhang met de overige onderdelen van het complex en in het bijzonder met de duikers no. 1 en 2.

* Het onderdeel is representatief (karakteristiek) omdat het in samenhang met de aanleg van de door het fort getrokken Biltsestraatweg is gebouwd.

* Het onderdeel is tamelijk gaaf bewaard omdat hoofdvorm, bouwkundige detaillering en verschillende onderdelen herkenbaar zijn gebleven.

Locatie

Rijksmonument nummer
532396
Complexnaam
NHW-Fort De Bilt
Provincie
Gemeente
Plaats
Complexomschrijving

Cluster 38. Complexomschrijving.

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

Complex FORT DE BILT

Inleiding

De Nieuwe Hollandse Waterlinie vormde van 1815 tot februari 1940 de hoofddefensielinie van het Koninkrijk der Nederlanden. De 85 kilometer lange verdedigingslinie, die is gebaseerd op een uitgestrekte waterbarrière en wordt gesteund door militaire versterkingen, strekte zich uit van de Zuiderzee bij Muiden tot aan de Biesbosch bij Werkendam. De breedte varieerde van slechts enkele honderden meters ten oosten van Utrecht, tot 7,5 km en zelfs meer dan 10 km in de Vijfheerenlanden. Dit typisch Hollandse defensiesysteem van inundaties was de verbeterde voortzetting van de eens zo succesvolle (oude) Hollandse Waterlinie, uit 1672. Het concept voor een waterlinie dateert al uit 1589, toen Prins Maurits opdracht kreeg van de Staten van Utrecht en Holland om te onderzoeken hoe de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op een zo efficiënt mogelijke manier kon worden verdedigd. Door een optimaal gebruik van de geografische ruimtelijke en fysieke omstandigheden kon een bijzondere verdedigingslinie worden aangelegd. Daar waar hoog Nederland overgaat in het laag gelegen poldergebied is het tamelijk eenvoudig om land onder water te zetten door inlaat met behulp van sluizen of via het doorsteken van dijken. Als voeding konden vooral dienen de Vecht (zowel vanuit de Zuiderzee als vanuit de Lek), de grote rivieren (m.n. de Neder-Rijn / Lek) en de Linge. Aan het functioneren en de tastbare onderdelen van deze voornamelijk 'papieren tijger' van waterlinies werd eeuwenlang gesleuteld. Na WOII speelde ook de laatste versie van de Nieuwe Hollandse Waterlinie geen rol van betekenis meer in de hoofddefensie. En in 1951 werden veel onderdelen van de Linie gedeclassificeerd, waarmee de opheffing van de Linie als zodanig een feit was.

Een verbeterde Waterlinie

De grond- en waterslag voor een verbeterde, (nieuwe) Hollandse Waterlinie werd gelegd in de Franse tijd in 1796/97 door de directeur der Hollandse Fortificatiën C.R.T. Kraijenhoff. In zijn 'Memorie betreffende de eerste of capitale Waterlinie' beschrijft beschreef Kraijenhoff gedetailleerd hoe de (oude) Hollandse Waterlinie er toen voorstond en geeft hij aan hoe deze Linie verbeterd zou moeten worden. Tevens bepleitte hij een oostwaartse verlegging ervan de Linie om de stad Utrecht binnen de Linie te brengen. De stad zou dan, beschermd worden door een aaneenschakeling van 'voorposten'. Dit niet alleen omdat Utrecht een belangrijke garnizoensstad was, maar vooral om te voorkomen dat de vijand de waterhindernis zou kunnen aftappen. De aanbevelingen die hij deed vormden het concept voor wat later de Nieuwe Hollandse Waterlinie zou gaan worden. In 1811 werden de plannen zelfs door Keizer Napoleon goedgekeurd: "La ligne de Naarden à Gorcum doit donc être considérée comme la vraie ligne de l'Empire." Mede vanwege militaire en politieke ontwikkelingen werd het plan toen echter niet verder uitgewerkt. Na het vertrek van de Fransen, bij de aanloop tot het ontstaan van het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden, in het najaar van 1814, diende Kraijenhoff een nota in waarin zijn voorstellen uit 1796 en 1811 waren geactualiseerd. Daarop besloot Koning Willem I in het voorjaar van 1815 tot de aanleg van een nieuwe Waterlinie - toen nog 'Utrechtse Linie' genoemd. De militaire en waterstaatkundige werken voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie zouden het grootste en duurste infrastructurele project worden dat ooit in Nederland is uitgevoerd.

Bouwen aan een perfect systeem

Evenals de 'oude' Hollandse Waterlinie steunde de 'Nieuwe' op uitgebreide - maar nu beter beheersbare - inundaties, waarbij forten en batterijen de inlaatpunten (sluizen) beschermden en de niet te inunderen terreinstroken en andere 'accessen' afsloten door ze onder vuur te kunnen houden. Samen met de waterbouwkundige Jan Blanken Jzn., inspecteur-generaal van Waterstaat, ontwikkelde Kraijenhoff, als inspecteur-generaal der Fortificaties (1814-1826), de 'natte' plannen voor de Nieuwe Waterlinie. Aan majoor-ingenieur Willem Offerhaus werd opdracht gegeven voor de bouw van een fortenkring om Utrecht, dus voor de 'droge' plannen. Van Muiden tot aan Vesting Nieuwersluis werd het tracé van de (oude) Hollandse Waterlinie langs de Vecht aangehouden. Vanaf Nieuwersluis volgde de nieuwe linie de Vecht, tot enkele kilometers ten noorden van Utrecht. Daar moest de linie oostelijk om de stad heen buigen, om vervolgens langs de Vaartse Rijn verder te lopen tot aan de sluizen van Vreeswijk aan de Lek. Ten zuiden hiervan sloot de nieuwe Waterlinie aan op een waterbarrière die al in 1787 was verplaatst naar de Diefdijk en de Linge. Er dienden vijf zogenoemde 'inundatiekommen' te komen met op de accessen permanente verdedigingswerken. Op een zestal cruciale plaatsen werden (vermoedelijk door Blanken uitgevonden en ontworpen) waaierdeursluizen gebouwd. Deze sluizen, die ook tegen hoog water in geopend konden worden, waren ideaal voor militaire inundaties / doeleinden. De inrichting van een optimaal inundatiestelsel en de aanleg van de onmisbare permanente verdedigingswerken duurden, met onderbrekingen, van 1815 tot 1886. Dat de realisatie van de nieuwe Waterlinie zoveel tijd kostte, had alles te maken met de (internationale) politieke en militair-technische ontwikkelingen en de ingrijpende infrastructurele en waterstaatkundige veranderingen gedurende de negentiende eeuw. We kunnen in die eeuw een viertal bouwperioden onderscheiden. In de eerste fase van 1815-1826 werden de versterkingen rondom Utrecht gerealiseerd. Vervolgens bouwde de Dienst der Fortificatiën van 1841 tot 1864 de torenforten (eigenlijk: forttorens) bij de rivieraccessen, waarna tussen 1867-1872 op vele plaatsen in de Linie verbeteringen plaatsvonden. Ten slotte werden tussen 1871 en 1886 de laatste forten van de Linie gebouwd, alle bestaande uit (gesloten) aardwerken met daarbinnen aard gedekte gebouwen. In de twintigste eeuw veranderden de militaire tactieken drastisch en zijn hiernaast (veld)versterkingen tussen (en op) de forten aangelegd met diverse typen werken van gewapend beton.

Bouwfasen in de negentiende eeuw

Gedurende de eerste bouwfase werd tussen 1816 en 1826 op de kwetsbare accessen rondom Utrecht een vijftal forten gebouwd. De eenvoudige werken bestonden uit aarden omwallingen, die precies in het hart van de te beveiligen weg of kade waren gelegen. De forten werden omgeven door een gracht en op de hoofdwal was de opstelplaats voor het geschut. De vorm en de omvang van de forten werden bepaald door de breedte van het acces en de ligging van de inundatiemiddelen. Verder werden op de hoog gelegen - en dus niet te inunderen - Houtense Vlakte vier lunetten gebouwd. Deze V-vormige versterkingen werden voorzien van zware bakstenen bekledingsmuren. Ten zuiden van Utrecht bouwde men ter bescherming van enkele inundatiesluizen forten bij Jutphaas, Vreeswijk en - aan de overzijde van de Lek (Neder-Rijn) - tussen Vianen en Culemborg. De volgende bouwfase diende zich aan nadat Nederland in 1839 België als zelfstandige staat had erkend. Reorganisatie en vernieuwing van het verdedigingsstelsel waren nodig. Koning Willem II besloot tot een geconcentreerde verdediging, met de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoofddefensielinie. De vestingen en linies aan de landsgrenzen dienden om een eventuele vijandelijke opmars te vertragen, zodat de inundaties van Waterlinie tijdig konden worden gerealiseerd. De tweede actieve bouwperiode van de waterlinie duurde van 1841 tot 1864 en vond plaats ondanks ingrijpende bezuinigingen op defensie (de omvang van het leger werd gehalveerd). Onder leiding van genieofficier Merkes van Gendt werden op de dijkaccessen langs de rivieren torenforten gebouwd. Onder meer bij de rivieraccessen van Vecht, Lek, Linge en Waal verrezen ronde, bakstenen forttorens. In diezelfde periode kregen diverse kleinere werken van de linie 'bomvrije' gebouwen o.a. in de vorm van vierkante wachthuizen binnen de redoutes. Met de Napoleontische term 'bomvrij' (à l'épreuve de bombe) bedoelde men dat ze bestand waren tegen contemporain geschut. Het waren veelal wachthuizen met zware, gemetselde muren. Enige versterkingen op de dijkaccessen in het Vechtplassengebied die nog uit de Franse tijd dateerden, werden vervangen door eenvoudige forten of redoutes. Vanaf 1853 was de zogenoemde Kringenwet van kracht (overigens opvolger van een eerdere, uit 1814), die bepaalde dat er binnen cirkel van 1000 meter van de forten beperkende bouw- en beplantingsvoorschriften golden i.v.m. een vrij schootsveld. Binnen deze kringen vinden we dan ook soms houten bebouwing. In 1951 werd de Kringenwet opgeschort en in 1963 ingetrokken. Omstreeks 1864 leek de Nieuwe Hollandse Waterlinie min of meer voltooid. Maar ontwikkelingen vóór, tijdens en na de Frans-Duitse oorlog, van 1870, brachten talloze tekortkomingen aan het licht, zowel op bouwkundig en wapen-technisch, als op tactisch gebied. Kolonel Kromhout kreeg de taak de organisatie van de Waterlinie beter te structureren. Er waren veel te weinig bomvrije onderkomens voor manschappen en bomvrije magazijnen voor munitie. Bovendien bleken de zware muren van de hoge forttorens lang niet zo 'bomvrij' als ze heetten te zijn. Maar ook de nieuwe en de verbeterde 'bomvrije' forten bleken kort na oplevering alweer verouderd. In de daaropvolgende jaren werden de kwetsbare torens daarom beveiligd. Om de torens tegen directe treffers te beschermen, werd een zogenoemde 'contrescarp' aangebracht, een halfrond gaande aanaarding van een dik kleipakket of anders een gemetselde en aangeaarde galerij die los stond van de toren en daar in een ruime halve cirkelvorm omheen lag. Ook veel andere bomvrije wachthuizen kregen een stevige aarden dekking.

De derde bouwperiode (1867- ca. 1872) volgde na de uitvinding van geschut met 'getrokken loop' (ca. 1860). Dit ver dragende en nauwkeuriger geschut maakte duidelijk dat veel werken in de Waterlinie toch zeer kwetsbaar waren. De forten misten dekkingsmogelijkheden voor manschappen en materieel. Er was behoefte aan bomvrije remises voor geschut en bomvrije kazernes voor de manschappen. Bovendien dienden de wallen te worden verzwaard. Door de toegenomen reikwijdte van de projectielen moesten de steden Naarden en Utrecht, die hierdoor in de frontlinie kwamen te liggen, op grotere afstand worden verdedigd. Daarom werden vooruitgeschoven posten aangelegd. Het centraal gelegen Utrecht was al een kruispunt van wegen, maar werd sinds de jaren '60 ook een knooppunt van een nieuwe vorm van infrastructuur: de spoorwegen. De ring van zes oudere forten die Utrecht beschermde, lag ten opzichte van de mogelijke posities van vijandelijk geschut te dicht bij de stad. Daarom is verder oostwaarts van de Domstad een tweede, vooruitgeschoven fortenkring aangelegd. Verder vonden langs de Lek waterstaatkundige verbeteringen plaats voor eventuele inundaties rond Utrecht: zo kwam er een nieuwe inlaatsluis bij Wijk bij Duurstede en vonden er inlaatverbeteringen plaats bij vanaf Fort Honswijk. Begin jaren '70 realiseerde de regering zich dat het Nederlandse defensieapparaat de voorgaande drie decennia sterk onder de bezuinigingen had geleden. Daarom diende de Minister van Oorlog de zogenoemde Vestingwet (1874) in. Deze kende onder meer prioriteit toe aan de verbetering en vernieuwing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoeksteen van de Nederlandse verdediging. In acht jaar dienden nieuwe werkzaamheden voor de hoofdverdedigingslinie te worden verwezenlijkt. Daarmee ging men de vierde bouwperiode (ca. 1871-1886) in, die in feite een voortzetting was van de derde, maar op andere gronden. De Waterlinie was nog maar amper ingericht volgens de laatste eisen van grote defensieve kracht, of in 1885 werd de brisantgranaat ingevoerd. Tegen dit explosieve projectiel was geen fort bestand. L'histoire se répète: op slag waren de forten van de gemoderniseerde Waterlinie opnieuw verouderd en dus onbetrouwbaar. Tevens bleken de forten niet meer geschikt als opstellingsplaats voor vestinggeschut. De geschiedenis van de vestingbouw leert dat de ontwikkelingen van de verdedigingsmethoden voortdurend achterlopen op die van de aanvalswapens. Om trefkans te verkleinen, moesten manschappen en geschut voortaan dan ook worden gespreid in het linielandschap. Forten vervulden intussen nog wel een rol als stormvrij infanteriesteunpunt. Sindsdien speelde 'maskering' (camouflage) door beplantingen op en bij de forten een rol. In deze periode werden op veel forten, behalve fortwachterswoningen, ook houten genie- en artillerieloodsen gebouwd om het materieel in vredestijd vochtvrij te stallen. Ondertussen vond toch op grote schaal nieuwbouw plaats in de Waterlinie. Van noord tot zuid verrezen nieuwe forten en batterijen in de Linie om een aaneengesloten 'snoer' van steunpunten op bepaalde afstand van elkaar te realiseren. Daarna kwam de fortenbouw tot stilstand. Het nut en de kracht van de geld verslindende en snel verouderende forten van de Waterlinie stonden aan het eind van de negentiende eeuw ter discussie. Het accent van de landsverdediging werd van de zogenaamde 'dode weermiddelen' verlegd naar 'levende defensie', met mobiele strijdkrachten die verspreid in de Linie in en vanuit veldversterkingen zouden moeten opereren om een (storm)aanval met de nieuwste wapens te weerstaan. Hiernaast moest echter ook rekening worden gehouden met een aantal waterstaatkundige veranderingen: de aanleg van het Merwedekanaal, rond 1890, was wel de belangrijkste. Het zorgde voor een belangrijke wijziging in het inundatiesysteem.

Ontwikkelingen vóór en in WO I, het Interbellum en WO II

Kort voor en in de eerste jaren van de 20ste eeuw zijn op meerdere plaatsen gemetselde en later ook betonnen onderkomens en opstellingsplaatsen voor geschut tot stand gebracht, waarbij met name experimenten met gewapend beton interessante resultaten gaven. Tijdens de mobilisatie van de Eerste Wereldoorlog werden (veld)versterkingen voor artillerie, infanterie en munitieopslag aangelegd, waarbij met name de gewapend betonnen Schuilplaatsen Type 1918 /I en /II in flinke aantallen tot stand kwamen en karakteristiek zijn. In het Interbellum zijn onder meer zware betonnen werken gebouwd volgens het zogenoemde 'Voorschrift Inrichten Stellingen, no. 77', uit 1928. 'VIS-kazematten' komen op meerdere plaatsen voor bij (nieuwe) accessen. In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog kwamen, naast honderden Groepsschuilplaatsen Type P, talrijke Gietstalen Koepelkazematten Type G gebouwd. Verder bepaalden onder meer loopgravenstelsels, 'groepsnesten', prikkeldraadversperringen, gevechtswagenversperringen (tankhindernissen) en tankgrachten het gezicht van de 'jongste' Waterlinie. Op en bij de forten verschenen de moderne golfplaten Nissen-hutten en Romney-loodsen voor diverse doeleinden. En last but not least: in en rond de jaren '30 zijn op diverse plaatsen toevoegingen, veranderingen en verbeteringen aan het inundatiesysteem tot stand gebracht. Zelfs het Noordzeekanaal ging een rol spelen in het netwerk van aanvoerwegen en water was in die tijd dan ook nog lang niet afgeschreven als weermiddel. De Nieuwe Hollandse Waterlinie verloor zijn militaire functie formeel in 1963, maar als grootschalig complex van infrastructurele waarden en als biotoop en bleef de Linie tot op heden van nationaal belang. 38 COMPLEX FORT DE BILT

Inleiding Chris

38 COMPLEX FORT DE BILT

Inleiding Complex

FORT DE BILT, of Fort op de Biltstraat, werd gebouwd in de jaren 1816-1819, en het kwam te liggen in de as van de Biltsestraatweg, van oudsher de voornaamste uitvalsweg aan de oostzijde van de stad Utrecht. De weg werd (na tot 1848 door het fort te hebben gelopen) langs de zuidzijde van de gracht om het fort omgeleid; langs de noordzijde kwam niet veel meer dan een onderhoudspad te liggen. Het fort werd aangelegd als een vrijwel symmetrisch gespiegeld, gebastioneerd, aarden werk met een apart omgracht, eveneens aarden reduit aan de keelzijde. Van de eerste fortenkring rond Utrecht (1816-1824) was Fort de Bilt het eerste verdedigingswerk dat gereedkwam en het was tevens de belangrijkste schakel in deze keten. Het fort functioneerde als afsluiting van het acces van de straatweg De Bilt-Utrecht. Een sterk verdedigingswerk was hier van wezenlijk belang, want indien deze weg door vijandelijke troepen benut zou worden, zouden andere forten in de keelzijde bedreigd kunnen worden. Het fort is in de 19de en 20ste eeuw een aantal malen verbeterd en aangepast. Zo werden vanaf 1850 een wachthuis (op de reduit), een bomvrije kazerne, remises en schuilplaatsen geplaatst, waarna in een latere periode enkele schietbanen op het noordelijk deel zijn aangelegd. De belangrijkste ingreep vond echter plaats omstreeks 1930, toen de vanuit het oostnoordoosten recht op het fort toelopende straatweg werd verbreed en opnieuw dwars door het werk werd getrokken. Hierbij moesten de reduit en het wachthuis het veld ruimen, terwijl de langgerekte, centraal gelegen kazerne haaks werd doorsneden en uit twee afzonderlijke, kleinere delen ging bestaan. Deze beide delen zijn nog op het fort aanwezig. Ongeveer tegelijk zijn toen als onderdelen van een gedeconcentreerde verdediging enkele betonnen kazematten aangelegd ter verdediging van het acces Biltsestraatweg. In de directe nabijheid van het werk kwam een rotonde met gescheiden stromen voor snel- en langzaam verkeer tot stand - de zgn. Berekuil. In de volgende decennia vonden nieuwe aanpassingen plaats, waarbij Fort De Bilt in beheer en gebruik van het Departement van Defensie bleef. Met name op het noordelijk gedeelte, dat sinds 1997 in handen is van gemeente Utrecht, hebben in het relatief recente verleden restauraties plaatsgevonden. In het noordelijk deel van het fort bevinden zich nog steeds (maar niet meer in gebruik zijnde) schietbanen. Het noordelijk deel is als uitvloeisel van fusillades in de Tweede Wereldoorlog ingericht als 'vredescentrum' en biedt ruimte aan 'vredeseducatie' voor scholieren. Ook is hier als herinnering aan de Duitse executies een monument aangebracht. Het zuidelijk gedeelte is nog in gebruik als kazerne van de Koninklijke Marechaussee, die een groot deel van de oude bebouwing liet vervangen door moderne(re) - deels van omstreeks 1980 daterende - onderkomens voor personeel. Toch zijn nog meerdere vooroorlogse bouwwerken - al dan niet gewijzigd - aanwezig.

Ligging en relatie

Fort De Bilt ligt ten oosten van Utrecht. Tezamen met de forten (van noord naar zuid gelegen) De Gagel (1819-1821), Blauwkapel (1817-1818), Vossegat (1817-1819) en de Vier Lunetten (1819-1826) maakte het deel uit van de linie versterkingen uit de eerste bouwperiode van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, bij de kwetsbare accessen rondom Utrecht. Al deze werken dienden om de vele wegen en kaden die aan de noordoostkant van Utrecht door de inundatiezone liepen, zoveel mogelijk af te sluiten en te verdedigen en, als het tegelijk om keerkaden ging, om het doorsteken daarvan te beletten. De forten werden daarom dwars over de weg gelegd. In de Tweede Bouwperiode van de Nieuwe Hollandse Waterlinie (ca. 1841-1864) zijn deze forten gemoderniseerd en versterkt- ook en vooral voor wat betreft hun controle over accessen. In de derde bouwperiode (ca. 1867-1872) werd een tweede, vooruitgeschoven fortenkring aangelegd, aangezien de oudere ring van forten die Utrecht beschermde ten opzichte van de mogelijke posities van vijandelijk geschut te dicht bij de stad lag. Fort De Bilt werd in die periode, door middel van zogenoemde gedekte gemeenschapswegen - die aan de zijde van de vijand voorzien waren van wallen en een gracht - verbonden met de nabijgelegen forten Blauwkapel, Vossegat en de Lunetten. Hierdoor was het mogelijk manschappen en voorraden tussen de forten te vervoeren. De forten konden elkaar over en weer steunen door flankerend vuur. Een bijzondere relatie bestond ook met de voorwerken aan de Biltsestraatweg bij Griftenstein, die grotendeels bestonden uit aardewerken en kleine betonnen werken.

Omschrijving

Het in totaal (noord + zuid) ongeveer 11 ha beslaande complex FORT DE BILT bestaat in hoofdzaak uit een vijfzijdig, in grondplan vrijwel symmetrisch aardlichaam met een vrijwel rechte keelzijde en met vier van oorsprong hoekige bastions. Het omvatte aan de keelzijde voorheen een op een afzonderlijk eiland gelegen reduit, maar dit is rond 1930 opgeruimd, evenals het centrale deel van de centraal gelegen kazerne. Rond die tijd is het fort in tweeën gedeeld en is de Biltsestraatweg door het fort geleid. Het fort is omgeven door een natte gracht; de rond 1930 dwars door het fort aangelegde weg scheidde de gracht in een noordelijk en een zuidelijk deel, maar deze staan met elkaar in verbinding door middel van duikers. Het werk omvat tegenwoordig onder meer nog enkele aardgedekte bomvrije (kazerne)gebouwen uit het derde / vierde kwart van de 19de eeuw, kazematten uit het interbellum, betonnen groepsschuilplaatsen type P (1939/40), een hulpkazernegebouw, opslagloodsen, een fortwachterswoning, enkele schietbanen, hekwerken en pijlers. Een gedenkteken (1949) herinnert aan de fusillades in de jaren 1940-1945. Direct buiten de natte gracht bevinden zich nog de buitenoevers en (onderdelen van) de omleidingsweg en het onderhoudspad. Mede doordat verschillende wijzigingen van het werk hebben plaatsgevonden, zijn mogelijk nog resten of sporen van eerdere bouwwerken, bruggen of onderdelen van de aanleg, e.d. aanwezig. Het fort en verschillende onderdelen laten de redenen voor de aanleg en enige wijzigingen nog goed zien, hoewel een deel van de aanleg en inrichting aanzienlijk is gewijzigd en gemoderniseerd. Verder laten de relaties met de vroegere inundatiezone en het schootsveld zich aan de oostzijde - ondanks een bebost tussengebied - nog redelijk herkennen.

De bescherming van Fort De Bilt betreft de volgende complexonderdelen:

- FORTAANLEG MET AARDWERKEN WAARIN (RESTEN VAN) GESCHUTSOPSTELPLAATSEN, NATTE GRACHT MET BUITENOEVERS EN (RELICTEN VAN OMLEIDINGS- EN ONDERHOUDS-)WEGEN, MET HEKWERKEN EN MET VAN VOOR 1960 DATERENDE, GEBOUWDE EN AANGELEGDE ONDERDELEN

- BOMVRIJE KAZERNE B 1

- BOMVRIJE KAZERNE B 2

- DUBBELE REMISE C - BOMVRIJE SCHUILPLAATS E - BOMVRIJE SCHUILPLAATS H - BOMVRIJE SCHUILPLAATS F - BOMVRIJE SCHUILPLAATS G - BOMVRIJ VERBRUIKSMAGAZIJN I - BOMVRIJ VERBRUIKSMAGAZIJN K - VIER V.I.S.-KAZEMATTEN (waaronder nrs. a, b en c) - DRIE GROEPSSCHUILPLAATSEN TYPE P - HULPKAZERNE L - BERGLOODS M - FORTWACHTERSWONING - SCHIJVENLOODS N - KARABIJNSCHIETBANEN (I-III) - KARABIJNSCHIETBANEN (IV-VII) - MITRAILLEUR- (VIII-X) EN PISTOOLSCHIETBANEN (XI en XII) - HERDENKINGSMONUMENT - INUNDATIEDUIKER 1 - INUNDATIEDUIKER 2 - (INUNDATIE)DUIKER 3

Waardering complex

Het complex FORT DE BILT is van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is gerealiseerd en daarna door anderen gedurende meer dan 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Architectuurhistorische waarden, in het bijzonder als uiting van de militair-strategische bouwkunde, die gebaseerd is op: a. het systeem van inundatie en accesverdediging (19de en 20ste eeuw), b. de wedloop met de zich versterkende offensieve middelen (19de en 20ste eeuw), c. het systeem van 'levende' veldversterking (20ste eeuw).

Het betreft hier een complex dat in eerste aanleg een voorbeeld is van een fort met aardwerken uit de periode 1816-1819, dat vanaf het midden van de 19de eeuw in fasen is gemoderniseerd en dat wordt gekenmerkt door de sedert omstreeks 1930 er dwars doorheen aangelegde Biltsestraatweg.

* Krijgshistorische en systeemwaarden als onderdeel van een aaneengesloten militaire verdedigingslinie tussen de voormalige Zuiderzee en de Biesbosch. Deze bestond hoofdzakelijk uit een samenhangend systeem van inundatievelden en bijbehorende inundatiemiddelen en van schootsvelden. Dit systeem werd aangevuld met diverse, uit verschillende perioden daterende typen gebouwde of aangelegde (verdedigings)werken die dienden tot of bijdroegen aan afsluiting en verdediging van niet te inunderen terreinen of andere accessen.

* Ensemblewaarde en situationele waarden vanwege zijn ligging binnen het systeem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in het algemeen en in het bijzonder in de directe relatie tot de complexen Blauwkapel, Vossegat en de Lunetten en de voorwerken bij Griftenstein. Met name aan de oostzijde zijn nog relaties met schootsveld en inundatiezone herkenbaar.

* Archeologische waarden vanwege de (mogelijk) in de bodem aanwezige resten en/of sporen van oudere bouwfasen, opstelplaatsen voor geschut, loopgraven, aardwerken, waterwerken, versperringen en dergelijke.

* Het complex is representatief (karakteristiek) omdat het nog steeds de fysieke onderdelen, kenmerken en omgevingskenmerken vertoont die destijds tot bouw en aanpassing aanleiding waren, terwijl bovendien de uit verschillende perioden daterende, maar tamelijk schaars voorkomende schietbanen als representatieve voorbeelden van dergelijke artefacten kunnen gelden.

* Het complex is redelijk gaaf bewaard omdat qua structuur en fysiek voorkomen diverse hoofdzaken van de toestand in de jaren '80 van de 19de en de jaren '40 van de 20ste eeuw zijn bewaard en nauwelijks zijn gewijzigd.

* Het complex kent zeldzaamheidswaarden, omdat het een van de weinige forten is die in een latere fase van het bestaan centraal zijn doorsneden door een verkeersinfrastructurele voorziening, namelijk een verkeersweg.

Eigenschappen

Functies
Functie Hoofdcategorie Subcategorie Functietype Is hoofdfunctie
Verdedigingswerken en militaire gebouwen Versperring oorspronkelijke functie Ja
Adressen
Straat Getal Achtervoegsel Postcode Plaats Locatie Situatie Is hoofdadres
Biltsestraatweg 160 3573 PS Utrecht BY Ja
Types
Hoofdcategorie Subcategorie Beschrijving Notitie
Verdedigingswerken en militaire gebouwen Versperring
Percelen
Kadastraal perceel Kadastrale sectie Kadastraal object Appartement Kadastrale gemeente
C 8647 Abstede
C 7528 Abstede
C 8648 Abstede
C 8343 Abstede
C 8109 Abstede
C 8646 Abstede
C 8534 Abstede
C 7334 Abstede
C 8645 Abstede
Naar boven