531416, Kortenhoef

Cluster 13. Wachtgebouw met Kruitmagazijn.

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

Inleiding

WACHTGEBOUW MET KRUITMAGAZIJN (gebouw B) als bomvrij onderkomen met opslagplaats voor buskruit uit 1880. Bomvrije bouwwerken van dit type en uit deze periode zijn aan verschillende zijden en bovenop voorzien van een aarden dekking. Een wachtgebouw is een verdedigbaar onderkomen met voorzieningen voor manschappen en hun materieel. Met de toename van de draagwijdte van het geschut, de kracht van de inslagen van projectielen en de explosieve kracht van (brisant)granaten werd het steeds moeilijker weerstand te bieden aan aanvallen. Verzwaring van metselwerk, toepassing van schokabsorberende metselsystemen (onder meer door middel van bogen), flauwe hellingshoeken en gebogen of juist puntige vormen, gebruik van beton - en later van gewapend beton - in steeds zwaardere uitvoering, was een van de manieren om de vestingwerken bestand te houden tegen toenemende aanvalskracht. Bovendien was het aanbrengen van aarddekkingen een goed middel gebleken om de energie te absorberen of te dempen. Dit is de reden waarom vele gemetselde of betonnen werken van een aardlaag of een frontbescherming van zand of aarde zijn voorzien. Afhankelijk van de periode van ontstaan - en daarmee van de te verwachten inslagkracht van projectielen - werd van 'bomvrije gebouwen' gesproken, wanneer ze werden geacht bestand te zijn tegen een van tevoren gedefinieerd aantal inslagen van zwaar kaliber.

Omschrijving

WACHTGEBOUW MET KRUITMAGAZIJN, gelegen bij de toegang aan de noordwestzijde van het Fort Kijkuit. Het bouwwerk wordt gekenmerkt door een bajonetvormig, vrijwel haaks geknikte, bakstenen gevel waarin enige getoogde gevelopeningen met deuren, ramen en luiken. In de gevel links van de knik "Kijkuit" en rechts hiervan "1880". Het wachtgebouw met kruitmagazijn is als bomvrij bouwwerk aan drie zijden en bovenop gedekt met een aardelaag. Het wachtgebouw was de opvolger van het in 1880 omgebouwde wachthuis, terwijl het annexe kruitmagazijn als opslag van buskruit en eventueel andere explosieven gebruikt werd. Interieur met getoogde vertrekken en doorgangen waarin houten deuren.

Het WACHTGEBOUW MET KRUITMAGAZIJN van Fort Kijkuit is van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is gerealiseerd en daarna door anderen gedurende ongeveer 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Architectuurhistorische waarden, in het bijzonder als uiting van de militair-strategische bouwkunde, die gebaseerd is op:

a. het systeem van inundatie en accesverdediging (19de eeuw),

b. de wedloop met de zich versterkende offensieve middelen (19de eeuw).

Het betreft hier een onderdeel van omstreeks 1880, namelijk een voorbeeld van een bakstenen, bomvrij wachtgebouw met kruitmagazijn, dat naar een weinig voorkomende vorm tot stand is gekomen.

* Ensemblewaarden en situationele waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Tevens vanwege de functionele en fysieke samenhang met de overige onderdelen van het complex.

* Het onderdeel is representatief (karakteristiek) en relatief zeldzaam omdat het in verschijningsvorm de kenmerken vertoont die de toenmalige gecombineerde defensieve en opslagfunctie onderstrepen.

* Het onderdeel is goed bewaard omdat het bouwwerk in hoofdvorm en detaillering nog steeds de functies en de bijzondere ontwikkeling ervan laat zien.

Monumenten.nl maakt u wegwijs in monumentenland

Alles over monumenten onder één dak.
Een monument kopen, onderhouden of verduurzamen? Hier vindt u alle informatie, inspiratie en praktische tips.

Locatie

Monumentnummer
531416
Complexnaam
NHW-Fort Kijkuit
Provincie
Gemeente
Plaats
Complexomschrijving

Cluster 13. Complexomschrijving.

NIEUWE HOLLANDSE WATERLINIE

FORT KIJKUIT

Inleiding

De Nieuwe Hollandse Waterlinie vormde van 1815 tot februari 1940 de hoofddefensielinie van het Koninkrijk der Nederlanden. De 85 kilometer lange verdedigingslinie die is gebaseerd op een uitgestrekte waterbarrière gesteund door militaire versterkingen, strekte zich uit van de Zuiderzee bij Muiden tot aan de Biesbosch bij Werkendam. De breedte varieerde van slechts enkele honderden meters ten oosten van Utrecht, tot 7,5 km en zelfs meer dan 10 km in de Vijfheerenlanden. Het typisch Hollandse defensiesysteem van inundaties was de verbeterde voortzetting van de eens zo succesvolle (oude) Hollandse Waterlinie uit 1672. Het concept voor een waterlinie dateert al uit 1589, toen prins Maurits opdracht kreeg van de Staten van Utrecht en Holland om te onderzoeken hoe de jonge Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op een zo efficiënt mogelijke manier kon worden verdedigd. Door een optimaal gebruik van de geografische omstandigheden kon een bijzondere verdedigingslinie worden aangelegd. Daar waar hoog Nederland overgaat in het laag gelegen poldergebied is het tamelijk eenvoudig om land onder water te zetten met behulp van sluizen of het doorsteken van dijken. Aan de tastbare onderdelen van deze voornamelijk 'papieren tijger' werd eeuwenlang gesleuteld. Na WOII speelde de Nieuwe Hollandse Waterlinie geen rol van betekenis meer in de hoofddefensie. En in 1951 werden veel onderdelen van de Linie gedeclassificeerd, waarmee de opheffing van de Linie als zodanig een feit was.

Een verbeterde Waterlinie

De grond- en waterslag voor een verbeterde nieuwe Hollandse Waterlinie werd gelegd in de Franse tijd in 1796/97 door de directeur der Hollandse Fortificatiën C.R.T. Kraijenhoff. In zijn Memorie betreffende de eerste of capitale Waterlinie beschrijft Kraijenhoff gedetailleerd hoe de (oude) Hollandse Waterlinie er toen voorstond en geeft hij aan hoe deze Linie verbeterd zou moeten worden. Tevens bepleit hij een oostwaartse verlegging van de Linie om de stad Utrecht binnen de Linie te brengen, beschermd door een aaneenschakeling van voorposten. Niet alleen omdat Utrecht een belangrijke garnizoensstad was, maar vooral om te voorkomen dat de vijand de waterhindernis zou kunnen aftappen. De aanbevelingen die hij deed vormden het concept voor wat later de Nieuwe Hollandse Waterlinie gaat worden. In 1811 werden de plannen zelfs door Keizer Napoleon goedgekeurd: La ligne de Naarden à Gorcum doit donc être considérée comme la vraie ligne de l'Empire. Mede vanwege militaire en politieke ontwikkelingen werd het plan echter niet verder uitgewerkt. Na het vertrek van de Fransen, bij de aanloop tot het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden in het najaar van 1814, diende Kraijenhoff opnieuw een nota in, waarin zijn voorstellen uit 1796 en 1811 waren geactualiseerd. Daarop besloot Koning Willem I in het voorjaar van 1815 tot de aanleg van een nieuwe Waterlinie, toen nog 'Utrechtse Linie' genoemd. De militaire en waterstaatkundige werken voor de Nieuwe Hollandse Waterlinie zouden het grootste en duurste infrastructurele project worden dat ooit in Nederland is uitgevoerd.

Bouwen aan een perfect systeem

Evenals de 'Oude' Hollandse Waterlinie steunde de 'Nieuwe' op uitgebreide - maar nu beter beheersbare - inundaties, waarbij forten en batterijen de inlaatpunten (sluizen) beschermden en de niet te inunderen terreinstroken en andere accessen afsloten. Samen met de waterbouwkundige Jan Blanken, inspecteur-generaal van Waterstaat, ontwikkelde Kraijenhoff als inspecteur-generaal der Fortificaties (1814-1826) de 'natte' plannen voor de Nieuwe Waterlinie en werd opdracht gegeven aan majoor-ingenieur Willem Offerhaus voor de bouw van een fortenkring om Utrecht. Tot aan Nieuwersluis werd het tracé van de (oude) Hollandse Waterlinie langs de Vecht aangehouden. Vanaf Nieuwersluis volgde de nieuwe linie de Vecht, tot enkele kilometers ten noorden van Utrecht. Daar moest de linie oostelijk om de stad heen buigen, om vervolgens langs de Vaartse Rijn verder te gaan tot aan de sluizen van Vreeswijk aan de Lek. Voorts sloot de nieuwe Waterlinie aan op het zuidelijke tracé dat in 1787 was verplaatst naar de Diefdijk en de Linge. Er dienden vijf zogenaamde 'inundatiekommen' te komen met op de accessen permanente verdedigingswerken. Op een zestal cruciale plekken werden door Blanken ontworpen waaiersluizen gebouwd. Deze sluizen, die zelfs tegen hoog water in geopend konden worden, waren ideaal voor militaire inundaties. De inrichting van een optimaal inundatiestelsel en de aanleg van de onmisbare permanente verdedigingswerken duurden, met onderbrekingen, van 1815 tot 1886. Dat de realisatie van de nieuwe Waterlinie zoveel tijd kostte, had alles te maken met de (internationale) politieke en militair-technische ontwikkelingen en de ingrijpende infrastructurele en waterstaatkundige veranderingen gedurende de negentiende eeuw. We kunnen in die eeuw een viertal bouwperioden onderscheiden. In de eerste fase van 1815-1826 werden de versterkingen rondom Utrecht gerealiseerd. Vervolgens bouwde de Dienst der Fortificatiën van 1841 tot 1864 de torenforten bij de rivieraccessen en tussen 1867-1872 vonden overal in de Linie verbeteringen plaats. Ten slotte werden tussen 1871 en 1886 de laatste forten van de Linie gebouwd. In de twintigste eeuw veranderden de militaire tactieken drastisch en werden veldversterkingen tussen de forten aangelegd met diverse werken van gewapend beton.

Bouwfasen in de negentiende eeuw

Gedurende de eerste bouwfase werd tussen 1816 en 1826 op de kwetsbare accessen rondom Utrecht een vijftal forten gebouwd. De eenvoudige werken bestonden uit aarden omwallingen, die precies in het hart van de te beveiligen weg of kade waren gelegen. De forten werden omgeven door een gracht en op de hoofdwal was de opstelplaats voor het geschut. De vorm en de omvang van de forten werden bepaald door de breedte van het acces en de ligging van de inundatiemiddelen. Op de hoog gelegen - en dus niet te inunderen - Houtense Vlakte werden vier lunetten gebouwd. Deze V-vormige versterkingen werden voorzien van zware bakstenen bekledingsmuren. Ten zuiden van Utrecht bouwde men ter bescherming van de inundatiesluizen forten bij Jutphaas, Vreeswijk en Culemborg. De volgende bouwfase diende zich aan nadat Nederland in 1839 België als onafhankelijke staat had erkend. Reorganisatie en vernieuwing van het verdedigingsstelsel waren nodig. Koning Willem II besloot tot een geconcentreerde verdediging, met de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoofddefensielinie. De vestingen en linies aan de landsgrenzen dienden om een eventuele vijandelijke opmars te vertragen, zodat de inundaties van Waterlinie tijdig konden worden gerealiseerd. De tweede actieve bouwperiode van de waterlinie duurde van 1841 tot 1864 en vond plaats, ondanks ingrijpende bezuinigingen op defensie (de omvang van het leger werd gehalveerd). Onder leiding van genieofficier Merkes van Gendt werden op de dijkaccessen langs de rivieren torenforten gebouwd. Bij de rivieraccessen van de Vecht, Lek, Linge en Waal verrezen ronde bakstenen torenforten. In diezelfde periode kregen veel kleinere werken van de linie 'bomvrije' gebouwen o.a. in de vorm van vierkante wachthuizen binnen de redoutes. Met de Napoleontische term 'bomvrij' (à l' epreuve de bombe) bedoelde men dat ze bestand waren tegen contemporain geschut. Het waren veelal wachthuizen met zware, gemetselde muren. Enige versterkingen op de dijkaccessen in het Vechtplassengebied, die nog uit de Franse tijd dateerden, werden vervangen door eenvoudige forten of redoutes. In 1853 werd de Kringenwet ingevoerd die bepaalde dat er binnen cirkel van 1000 meter van de forten beperkte bouw- en beplantingsvoorschriften golden i.v.m. een vrij schootsveld. Binnen deze kringen vinden we dan ook soms houten bebouwing. In 1951 werd de Kringenwet opgeschort en in 1963 ingetrokken. Omstreeks 1864 leek de Nieuwe Hollandse Waterlinie min of meer voltooid. Maar ontwikkelingen voor en tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870 brachten talloze tekortkomingen aan het licht, zowel op bouwkundig en wapentechnisch, als op tactisch gebied. Kolonel Kromhout kreeg de taak om de organisatie van de Waterlinie beter te structureren. Er waren veel te weinig bomvrije onderkomens voor manschappen en bomvrije magazijnen voor munitie. Bovendien bleken de zware muren van de hoge torenforten lang niet zo 'bomvrij' als ze heetten te zijn. Maar ook de nieuwe en de verbeterde 'bomvrije' forten bleken kort na oplevering alweer verouderd. In de daaropvolgende jaren werden de kwetsbare torens daarom beveiligd. Om de torens tegen directe treffers te beschermen, werd een zogenaamde 'contrescarp' aangebracht, een halfrondgaande aanaarding van een dik kleipakket of een gemetselde en aangeaarde galerij die los stond van de toren en daar in een ruime halve cirkelvorm omheen lag. Ook veel andere bomvrije wachthuizen kregen een stevige aarden dekking. De derde bouwperiode (1867- ca. 1872) volgde o.a. na de uitvindingen van geschut met een getrokken loop (ca. 1860). Dit ver dragende en nauwkeuriger geschut maakte duidelijk dat de werken in de Waterlinie toch zeer kwetsbaar waren. De forten misten dekkingsmogelijkheden voor manschappen en materieel. Er was behoefte aan bomvrije remises voor geschut en bomvrije kazernes voor de manschappen. Bovendien dienden de wallen te worden verzwaard. Door de toegenomen reikwijdte van de projectielen moesten de steden Naarden en Utrecht, die in de frontlinie kwamen te liggen, op grotere afstand worden verdedigd. Daarom werden vooruitgeschoven posten aangelegd. Het centraal gelegen Utrecht was al een kruispunt van wegen, maar werd sinds de jaren '60 ook een knooppunt van een nieuwe vorm van infrastructuur: de spoorwegen. De ring van zes oudere forten die Utrecht beschermde, lag ten opzichte van de mogelijke posities van vijandelijk geschut te dicht bij de stad. Daarom werd nog verder oostwaarts van de Domstad een tweede, vooruitgeschoven fortenkring aangelegd. Verder vonden langs de Lek verbeteringen plaats voor mogelijke onderwaterzettingen rond Utrecht: er kwam een nieuwe inlaatsluis bij Wijk bij Duurstede en er vonden verbeteringen plaats bij Honswijk. Begin jaren '70 realiseerde de regering zich dat het Nederlandse defensieapparaat de afgelopen dertig jaar sterk onder de bezuinigingen had geleden. Daarom diende de Minister van Oorlog de Vestingwet van 1874 in. Deze kende o.a. prioriteit toe aan de verbetering en vernieuwing van de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoeksteen van de Nederlandse verdediging. Binnen acht jaar moesten nieuwe werkzaamheden voor de hoofdverdedigingslinie worden verwezenlijkt (ruim 10 miljoen gulden). Daarmee ging men de vierde bouwperiode (ca. 1871-1886) in, die in feite een voortzetting was van de derde, maar op andere gronden. De Waterlinie was nog maar amper ingericht volgens de laatste eisen van een grote defensieve kracht, of in 1885 werd de brisantgranaat ingevoerd. Tegen dit explosieve projectiel was geen fort bestand. L'histoire se repète: op slag waren de forten van de gemoderniseerde Waterlinie weer verouderd en dus onbruikbaar. De geschiedenis van de vestingbouw leert dat de ontwikkelingen van de verdedigingsmethoden voortdurend achterlopen op die van de aanvalswapens. De forten bleken niet meer geschikt als opstellingsplaats voor vestinggeschut. Om trefkans te voorkomen, moesten manschappen en geschut worden gespreid in het linielandschap. De forten vervulden nog wel een rol als stormvrij infanteriesteunpunt. Sindsdien speelde 'maskering'(camouflage) door beplantingen op en bij de forten een rol. In deze periode werden op veel forten, behalve fortwachterswoningen, ook houten genie- en artillerieloodsen gebouwd om het materieel in vredestijd vochtvrij te stallen. Ondertussen vond toch op grote schaal nieuwbouw plaats in de Waterlinie. Van noord tot zuid verrezen nieuwe forten en batterijen in de Linie om een aaneengesloten 'snoer' van steunpunten op bepaalde afstand van elkaar te realiseren. Daarna kwam de fortenbouw tot stilstand. Het nut en de kracht van de kostenverslindende en snel verouderende forten van de Waterlinie stonden aan het eind van de negentiende eeuw ter discussie. Het accent werd van de zogenaamde 'dode weermiddelen' verlegd naar de levende, mobiele strijdkrachten die verspreid in veldversterkingen in de Linie zouden moeten opereren om een stormaanval met de nieuwste wapens te weerstaan.

WOI en WOII

Tijdens de mobilisaties van WOI en WOII werd een groot aantal veldversterkingen voor artillerie, infanterie en munitieopslag aangelegd. Loopgravenstelsels, groepsnesten, prikkeldraadversperringen, gevechtswagenversperringen en tankgrachten bepaalden het gezicht van de jongste Waterlinie. Ook bouwde men honderden betonnen groepsschuilplaatsen en vele mitrailleurkazematten tussen de forten in het linielandschap. Op en bij de forten verschenen de moderne golfplaten Nissen-hutten en Romney-loodsen voor diverse doeleinden.

Inleiding complex

Het FORT KIJKUIT of de Redoute op de Kortenhoefse Zuwe dateert in eerste aanleg uit 1844-1847, maar het werd aangelegd ter plaatse van oudere versterkingen uit 1803.Hiervan kunnen nog resten of sporen aanwezig zijn. Het diende ter afsluiting van het acces van de Kortenhoefse Zuwe (weg Kortenhoef-Vreeland) en de parallelle vaart. Het werk omvatte tot het midden van de 19de eeuw twee borstweringen, waarop in de jaren 1844-1847 een vierkant aarden redoute met afgeronde hoeken werd gebouwd, met hierbinnen een verdedigbaar bomvrij wachthuis, met erbovenop een geschutsopstelling achter een van schietgaten voorziene muur. Het wachthuis was omsloten door een gracht, waar overheen een ophaalbrug. In 1880 zijn moderniseringen aangebracht, waarbij het wachthuis grotendeels werd aangeaard en ook de geschutsopstelling werd verwijderd en vervangen door een aarddekking en ook de gracht om het wachthuis werd gedempt. Verder zijn in 1880 de fortwachterswoning en de houten bergloods gebouwd. Tevens vond uitbreiding van het wachthuis plaats door het aanbouwen van remises en zijn een kruitmagazijn en traversen in de wal gebouwd. In 1886 is een remise toegevoegd, terwijl in dit jaar ook de oude brug - uit 1844 - is vervangen door de huidige. Van deze remise is in 1935 de oostelijke keermuur gesloopt ten behoeve van de bouw van een gecombineerde mitrailleur- en kanonkazemat.

Tegenwoordig heeft het fort geen militaire functie meer en is het in bezit van de Vereniging Natuurmonumenten.

Ligging en relatie

Het FORT KIJKUIT ligt aan de tegenwoordige weg Hilversum-Haarlem, tussen Loosdrecht en Vreeland (N201). Het diende ter afsluiting van de Kortenhoefse Zuwe (weg Kortenhoef-Vreeland) met het ernaast gelegen kanaal. Op geruime afstand naar het noorden liggen respectievelijk de Forten Hinderdam en Uitermeer. Ten zuiden ligt Fort Spion, waarvan de vorm en de bouwgeschiedenis vrijwel identiek zijn aan die van Fort Kijkuit, met uitzondering van de kazemat. Op Fort Spion werd een ander type gebouwd. Ten zuidwesten ligt Fort Nieuwersluis. De vijf forten zijn alle in de zogenoemde tweede bouwperiode (1841-1864) gerealiseerd, waarbij Fort Uitermeer en Fort Nieuwersluis in eerste aanleg als torenforten zijn gebouwd, terwijl de andere forten zijn voorzien van een bomvrij wachthuis, dat tevens bestemd was voor opstelling van geschut, legering van troepen en berging van materieel. De verdere relaties van Fort Kijkuit met onderdelen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie betreffen vooral die met de accessen van de Kortenhoefse Zuwe (weg Kortenhoef-Vreeland) en later van de Provinciale Weg Hilversum-Haarlem en de annexe wateren. Verder bestond er een directe relatie met de verschillende nabije waterwerken en met de in de eerste helft van de 20ste eeuw tot stand gebrachte betonnen werken.

Omschrijving complex

Het kleine, ongeveer 2 ha beslaande complex FORT KIJKUIT bestaat in hoofdzaak uit een vierhoekig aardlichaam met sterk afgeronde begrenzingen, dat is omgeven door een asymmetrische natte gracht. Het complex omvat naast een centraal gelegen, aangeaard wachthuis en enige aardgedekte bomvrije gebouwen, waaronder een gewapend betonnen mitrailleurkazemat met stalen pantserfront. En verder een fortwachterswoning en een houten bergloods. De frontzijde van het fort is naar het zuidoosten gericht. De natte gracht is deels is vergraven bij de totstandkoming van het Hilversumsch Kanaal, rond 1937. Buiten de gracht ligt een (van oudsher en nog ten dele) met grenspalen als zodanig gemerkte zone van het Ministerie van Oorlog, die zich van oudsher ook ten noorden van het latere kanaal uitstrekt, de Militaire Landsgrond.

De bescherming van het complex FORT KIJKUIT betreft de volgende complexonderdelen:

- FORTAANLEG MET AARDWERKEN, (RESTEN VAN) WEGEN EN GESCHUTSOPSTELPLAATSEN, REMISES, MUNITIENISSEN, NATTE GRACHT MET BUITENOEVERS,(RESTEN OF SPOREN VAN) BORSTWERINGEN EN/OF AARDSEN DEKKINGEN EN OPSTELPLAATSEN EN VAN OUDSHER DOOR STENEN PALEN AANGEDUIDE MILITAIRE ZONE.

- BOMVRIJ WACHTHUIS MET REMISES

- WACHTGEBOUW MET KRUITMAGAZIJN

- MITRAILLEUR- EN KANONKAZEMAT / ANNEX REMISE

- HOUTEN LOODS

- FORTWACHTERSWONING

- TOEGANGSBRUG

Waardering complex

Het complex FORT KIJKUIT is van algemeen belang vanwege:

* Cultuurhistorische waarden als onderdeel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie zoals deze is ontworpen door C.R.T. Kraijenhoff en in eerste aanleg vanaf 1815 door hem, Jan Blanken en majoor-ingenieur Willem Offerhaus is gerealiseerd en daarna door anderen gedurende meer dan 125 jaar is versterkt en verbeterd.

* Architectuurhistorische waarden in het bijzonder als uiting van de militair-strategische bouwkunde, die gebaseerd is op:

a. het systeem van inundatie en accesverdediging (19de en 20ste eeuw),

b. de wedloop met de zich versterkende offensieve middelen (19de en 20ste eeuw)

c. het systeem van 'levende' veldversterking (20ste eeuw)

Het betreft hier een complex dat in eerste aanleg een voorbeeld is van een fort uit de periode 1841-1864 in de nabijheid van inundatiewerken. Het complex is voorts een voorbeeld van een strategisch gelegen, in latere ontwikkelingsfasen met aard-, metsel-en betonwerk verbeterd en uitgebreid fort.

* Krijgshistorische waarden als onderdeel van een aaneengesloten militaire verdedigingslinie tussen de voormalige Zuiderzee en de Biesbosch. Deze bestond hoofdzakelijk uit een samenhangend systeem van inundatievelden en bijbehorende inundatiemiddelen en van schootsvelden. Dit systeem werd aangevuld met diverse, uit verschillende perioden daterende typen gebouwde of aangelegde (verdedigings)werken die dienden tot of bijdroegen aan afsluiting van niet te inunderen terreinen of andere accessen.

* Ensemblewaarde en situationele waarden vanwege zijn ligging binnen het systeem van de Nieuwe Hollandse Waterlinie in het algemeen en in het bijzonder in de directe relatie tot de complexen Forten Hinderdam, Uitermeer, Spion en Nieuwersluis, alsmede tot de nabij gelegen betonnen werken en water- en inundatiewerken. Tevens is hier sprake van een tamelijk gave relatie met het schootsveld en het inundatiegebied.

* Archeologische waarden vanwege de mogelijk nog in de bodem aanwezige sporen of resten van (oudere) werken of gebeurtenissen.

* Het complex is representatief (karakteristiek) omdat het nog steeds de fysieke onderdelen, kenmerken en vele omgevingskenmerken vertoont die destijds tot bouw en aanpassing aanleiding waren.

* Het complex is gaaf bewaard omdat qua structuur en fysiek voorkomen de hoofdzaken van de toestand in de jaren '80 van de 19de eeuw zijn bewaard en nauwelijks zijn gewijzigd.

Eigenschappen

Functies
Functie Hoofdcategorie Subcategorie Functietype Is hoofdfunctie
Verdedigingswerken en militaire gebouwen Militair wachtgebouw oorspronkelijke functie Ja
Adressen
Straat Getal Achtervoegsel Postcode Plaats Locatie Situatie Is hoofdadres
Kortenhoef Kleizuwe Ja
Types
Hoofdcategorie Subcategorie Beschrijving Notitie
Verdedigingswerken en militaire gebouwen Militair wachtgebouw
Percelen
Kadastraal perceel Kadastrale sectie Kadastraal object Appartement Kadastrale gemeente
B 2233 's-Graveland
Naar boven