Onderdeel 3A

Omschrijving

LINKER BOUWHUIS behorende tot de buitenplaats Oostermeer. Ter weerszijden van het hoofdgebouw staan op symmetrische wijze rood bakstenen bouwhuizen met een L-vormige plattegrond. Het langgerekte bouwdeel staat evenwijdig aan de straat, de korte poot van de L steekt naar voren. De gebouwen bestaan uit één bouwlaag en een zolderverdieping onder een schilddak, dat is gedekt met gesmoorde Oud-Hollandse pannen. Er staan drie schoorstenen op waarvan twee op de nokeinden. De gevels worden aan de bovenzijde afgesloten door een eenvoudige gootlijst en zijn voorzien van een hardstenen plint. In het langgerekte deel bevindt zich centraal de voordeur met meerruitsbovenlicht, voorafgegaan door een stoep van vijf treden. Links en rechts van de entreepartij een meerruitsschuifvenster. In de kopgevel van de korte poot eveneens een meerruitsschuifvenster, daarboven een dakkapel met dubbel draairaam, wangen en een geschulpt fronton. In de linker zijgevel centraal een toegangsdeur met meerruitsbovenlicht geflankeerd door meerruitsschuifvensters. Boven de deur een kleinere dakkapel met meerruitsvenster. In de achtergevel diverse schuifvensters als in de linker zijgevel en op het dak een excentrisch geplaatste dakkapel als aan de voorzijde. De rechter zijgevel is blind, maar ter hoogte van de kap wel voorzien van een centraal geplaatste dakkapel als aan de voorzijde. Het linker bouwhuis dateert uit de bouwtijd, omstreeks 1728. Het is van oudsher in gebruik als tuinmanswoning. De moestuin ligt ernaast.

Waardering

Het LINKER BOUWHUIS behorende tot de buitenplaats Oostermeer is van algemeen belang:

- vanwege de ouderdom;

- vanwege de eenvoudige, harmonieuze en doelmatige vormgeving, die representatief is voor 17de en 18de eeuwse bouwhuizen;

- vanwege de kenmerkende ligging in de oorspronkelijke vroeg-18de eeuwse parkaanleg;

- vanwege de functioneel-ruimtelijke relatie met de andere onderdelen van de buitenplaats.

Locatie

Rijksmonument nummer
530664
Complexnaam
Oostermeer
Provincie
Gemeente
Plaats
Complexomschrijving

Omschrijving van het complex

HISTORISCHE BUITENPLAATS OOSTERMEER. In structuur en deels in detail gaaf bewaarde buitenplaats met HOOFDGEBOUW (1), HISTORISCHE TUIN- EN PARKAANLEG (2), BOUWHUIZEN (3A EN 3B), TOEGANGSBRUG met KEER- en KADEMUREN en BALUSTRADE (4), INRIJHEK (5), KOEPEL (6), TUINMUUR (7), WERKPLAATS/STAL (8).

De historische buitenplaats Oostermeer ligt aan de rivier de Amstel ten noorden van de dorpskern van Ouderkerk aan de Amstel. De naam is ontleend aan de ligging van de buitenplaats ten oosten van het Bankers- of Pancrasmeer, dat in het midden van de 19de eeuw drooggelegd werd.

De geschiedenis van de buitenplaats gaat tenminste terug tot 1722. In dat jaar kocht de Amsterdamse weduwe Josina Spruijt "eene hofstede met sijn heerschaps huijsinge en verder getimmerte daarop staande, mitsgaders plantagie en landerijen daaraan gelegen en behoorende, genaamt Oostermeer". De buitenplaats werd gesticht vanuit een boerderij met de naam Oostermeer, maar of er op het moment van de aankoop door Spruijt al een herenhuis aanwezig was, is niet duidelijk. Na Spruijt's overlijden in 1727 gaat het landgoed naar haar zoon Willem Bus. Deze liet het huidige huis Oostermeer en de flankerende bouwhuizen optrekken en was verantwoordelijk voor de aanleg van een grootse formele tuin achter het huis. Het blokvormige bakstenen huis met meerzijdige uitbouw aan de achterzijde werd opgetrokken in Lodewijk XIV-stijl. De tuin was aangelegd volgens dezelfde ontwerpprincipes en gedecoreerd met "superbe fraaye albasterde en anderen beelden, beneffens de verderen tuynsiradien". De ontwerper van de tuin is niet bekend. Volgens een veilingbericht uit 1757 waren de beelden in de tuin vrijwel allemaal van de hand van Ignatius van Logteren en diens zoon Jan. Op basis van deze wetenschap en stilistische kenmerken van de ontwerpen in aanmerking genomen, worden tegenwoordig ook het hoofdgebouw (in- en exterieur) en het entreehek met pijlers aan vader en zoon Van Logteren toegeschreven.

Na het overlijden van Bus in 1757 werd de buitenplaats publiek geveild. Het veilingbericht spreekt van "eene hoffstede genaamt Oostermeer met deszelfs heerenhuysinge, stallinge en tuynmanswooninge, met deszelfs bepooting, beplanting en verdere getimmerte daaropstaande, mitsgaders eene boerewoning en annexe landerijen, ...". Voor 26.000 gulden werd Nicolaas Freher de nieuwe eigenaar. Uit de separaat geveilde boedel kocht Freher alleen een beeldengroepje van drie cupido's met visornamenten in de karperkom, gehakt uit één stuk Bentheimersteen, 'voor f 600,- dat wel drie maal so veel waart was'. De overige beelden en tuinsieraden nam hij niet over. In Freher's tijd (1757-1807) zou de nog bestaande theekoepel zijn opgetrokken en kwam er een aanlegsteiger met botenhuis aan de Amstel. Toen Freher in 1785 overleed kocht zijn tweede echtgenote Susanna Catharina van Castricum de buitenplaats (1785-1799). In de koopakte werd de volgende uitgebreide omschrijving opgenomen: 'Een hoffsteede genaamt Oostermeer met deszelfs heerenhuyzinge, stallingen, thuynmanswooningen en annexis [...] met deszelfs bepoting en beplanting, coupel en verdere getimmertens daaropstaande; voorts al hetgeen daarop aard en nagelvast is, als ook de steiger en schuytenhuis aan den Amstel; mitsgaders twee kampen weiland, geleegen agter de plaats en nog een strook weiland ter zijde benoorden de plaats; weiders alle de vaste krebben broeijleszenaars en glazen raamen, zo tot de leszenaars als tot de vaste kasten behoorende, alle de tuyncieraden, thuyn- en thuynmans gereedschappen, alle de hoenders, eenden, duyven en pauwen.' De vermelding van koepel, steiger en schuitenhuis in deze omschrijving heeft er mogelijk toe geleid dat de bouw ervan door Freher zou zijn geïnitieerd. In het veilingbericht uit 1757 komen ze niet voor. Na Van Castricum was haar stiefzoon Matheus nog enkele jaren eigenaar (1799-1807).

In 1807 werd Oostermeer door de erfgenamen van Matheus Freher publiek geveild. Eigenaar werd de Amsterdamse wijnhandelaar Jan Gerard Kruimel. Kruimel gaf de buitenplaats meteen een grondige opknapbeurt, zo blijkt uit rekeningen van timmerman, loodgieter, leidekker, schilder, metselaar en glazenmaker gedateerd in 1808 en 1809. Een vermoedelijk later gedateerde rekening voor "verfraaiing en aanleg van 't plantsoen" bedroeg zelfs 1490 gulden (de gehele buitenplaats had 9800 gulden gekost). Na Kruimels overlijden in 1827 luidt de omschrijving in het taxatierapport als volgt: "eene zeer aangenaame en welgelegen hofstede met extra kapitaale en extra weldoortimmerde heerenhuisinge, en extra hegte, sterke en weldoortimmerde tuinmanswoninge, koetshuis, paardestallen, koepel, menagerie, schuuren, broeyery en verdere getimmerten; met boomgaarden, Engelsche plantsoenen, vischvijvers, moestuinen, laanen met hoog opgaand geboomte en houtgewas." De buitenplaats kwam in handen van vijf van de elf kinderen van Kruimel, vier dochters en een zoon. Vanaf 1860 tot haar dood in 1867 was Adriana Cornelia Kruimel de enige (overgebleven) eigenaresse. Van haar hand zijn twee aquarellen van Oostermeer uit 1812 overgeleverd. Ze liet bij haar dood Oostermeer na aan de zoon van haar broer, Joan Gerard Kruimel, die sinds 1861 burgemeester was van de gemeente Ouder-Amstel.

Joan Gerard Kruimel woonde tot zijn dood in 1900 op Oostermeer. Na zijn overlijden werd de buitenplaats publiek geveild. Jan Hendrik Marlof was gedurende heel korte tijd de nieuwe eigenaar. Al in 1901 deed deze Oostermeer over aan de Amsterdamse ingenieur Adriaan Cornelis Maria van Etten. Van Etten zou de buitenplaats in eigendom hebben tot 1918. Hij schakelde in 1902 Leonard Springer in voor vernieuwing van het park.

Van 1918 tot 1930 was assuradeur Gerrit van der Aa eigenaar van Oostermeer. Hij gaf, kort nadat hij de buitenplaats had verworven, opdracht aan D.F. Tersteeg om de tuin- en parkaanleg te renoveren. Uitgangspunt van Tersteeg was de destijds aanwezige situatie van een formele tuin omsloten door meer landschappelijk ingerichte tuindelen. Zijn ontwerp voorzag in een uitbreiding van de 18de eeuwse structuur van formele lanen en waterpartijen met nieuwe lengte- en dwarsassen en in de toevoeging van elementen uit de destijds modieuze nieuwe architectonische tuinstijl. Sindsdien hebben, behoudens enkele veranderingen in de uithoeken van de buitenplaats, geen grote wijzigingen meer plaats gevonden, zodat het aanzien van tuin en park in de huidige vorm voor een groot deel in de periode Tersteeg tot stand is gekomen.

In 1930 kwam de buitenplaats in handen van de kunsthandelaar Jacques Goudstikker. Hij woonde er tot aan zijn vlucht naar het buitenland in 1940. Als joods bezit werd Oostermeer geconfisqueerd door de Duitse bezetter. Er werd een hoofdkwartier voor generaals van de Luftwaffe in gehuisvest (1940-1945).

Vanaf 1945 was de buitenplaats enkele jaren onbewoond, tot er zich in 1951 een koper aandiende in de vorm van het Pensioenfonds Nationale Handelsbank. Dit fonds gaf C.P. Broerse in 1951 opdracht tot restauratie en uitbreiding van de tuin- en parkaanleg. Zo werd het gebied ten noorden van het oorspronkelijke park, dat tot op dat moment in gebruik was als weidegebied, omgevormd tot parkbos, waarin drie tennisbanen en een speelweide werden aangelegd voor het personeel en hun kinderen. De toegang tot dit deel van de aanleg verloopt via een ophaalbrug ten noorden van het terrein. Ook links van het huis werd een tennisbaan gerealiseerd.

In 1962 kwam Oostermeer in handen van Koen E. J. Oberman. Sinds zijn overlijden in 2000 wordt Oostermeer bewoond door zijn echtgenote. In de zuidoosthoek van het buitenplaatsterrein is een nieuw huis gebouwd. Dit deel valt buiten de beschermde buitenplaats.

Op de bij de omschrijving behorende kaart is de omgrenzing van het complex alsmede de aanduiding van de onderdelen aangegeven.

Waardering

De HISTORISCHE BUITENPLAATS OOSTERMEER is van algemeen cultuur-, architectuur-, en tuinhistorisch belang:

- vanwege de ouderdom;

- vanwege de gaaf bewaarde architectonische vormgeving van het hoofdgebouw, die van hoge kwaliteit is en wordt toegeschreven aan Ignatius en Jan van Logteren;

- vanwege de gaaf bewaarde interieurafwerking van het hoofdgebouw, in hoofdzaak daterend uit de bouwtijd, die van hoge kwaliteit is en wordt toegeschreven aan Ignatius en Jan van Logteren;

- vanwege de gaaf bewaarde 18de eeuwse aanleg van het voorplein met formele lindebeplanting, bouwhuizen, toegangsbrug met kade- en keermuren en monumentaal inrijhek;

- vanwege de ontwikkelingsgeschiedenis van de tuin- en parkaanleg, waarin naast de barokke 18de eeuwse structuur, onder meer de inbreng van de bekende tuinarchitecten Leonard Springer, D.F. Tersteeg en C.P. Broerse te herkennen is;

- vanwege de bewaard gebleven, deels ommuurde moestuin met koude bakken en een kas, die teruggaat op de oorspronkelijke 18de eeuwse aanleg en in latere fasen steeds werd gemoderniseerd;

- vanwege de gaaf bewaarde koepel als kenmerkend onderdeel van de buitenplaats;

- vanwege de samenhang en architectonische kwaliteit van de verschillende onderdelen.

Eigenschappen

Functies
Functie Hoofdcategorie Subcategorie Functietype Is hoofdfunctie
Bouwhuis Kastelen, landhuizen en parken Bijgebouwen kastelen enz. oorspronkelijke functie Ja
Adressen
Straat Getal Achtervoegsel Postcode Plaats Locatie Situatie Is hoofdadres
Amsteldijk Noord 36 1184 TD Amstelveen Ja
Types
Hoofdcategorie Subcategorie Beschrijving Notitie
Kastelen, landhuizen en parken Bijgebouwen kastelen enz.
Percelen
Kadastraal perceel Kadastrale sectie Kadastraal object Appartement Kadastrale gemeente
W 658 Amstelveen
Bouwperioden
Start Eind Notitie Beschrijving
1728 1728 vervaardiging
Naar boven