Laatnegentiende-eeuwse villa, aanvankelijk de noordelijke helft van een dubbele villa, gesitueerd aan de Sophialaan die de oude binnenstad verbindt met het spoorwegstation. De Sophialaan vormt het zuidelijke deel van de noord-zuid as in de eerste grote stadsuitbreiding van het ‘moderne’ Leeuwarden. Deze kwam tot stand naar een plan uit 1866 van stadsarchitect Thomas Romein. Het uitbreidingsplan gold het gebied tussen het Zaailand en het nieuwe station en behelsde onder meer het rechttrekken van de zuidelijke, zeventiende-eeuwse gebastionneerde stadsgracht. Ofschoon het plan met gigantische investeringen gepaard ging, werd het in 1868 en 1869 uitgevoerd – de gemeente was overigens al in 1865 begonnen met aankoop van gronden. Over de terreinen aan weerszijden van de gekanaliseerde stadsgracht legde Romein een strak, min of meer rechthoekig stratenpatroon, met de Sophialaan en Prins Hendrikstraat als centrale as tussen het Zaailand en het spoorwegstation. Langs de stadsgracht kwamen brede kaden, de Willemskaden. Zo ontstonden vier langgerekte bouwblokken, die in bouwkavels konden worden uitgegeven. De kavels bleken zeer gewild. In de jaren-1870 en -1880 verrezen er hoofdzakelijk herenhuizen en villa’s voor welgestelde Leeuwarders. Aan beide zijden van de Sophialaan kwamen grote witte villa’s te staan. De oostelijke zijde heeft redelijk gaaf de tand des tijds doorstaan. De oorspronkelijk dubbele villa is gebouwd in 1881-'82 naar een ontwerp van aannemer en koopman K. Ketelaar (Burgemeester en Wethouders verleenden vergunning op 22 oktober 1882), die waarschijnlijk ook de eerste gebruiker was van het rechter deel van het pand. De linker helft werd verkocht aan Mr.E. Jongsma. Na het overlijden van Ketelaar werd het pand achtereenvolgens nog bewoond door Mr.C.L. Baron van Harinxma thoe Slooten, Ds. G.J. Paré en Mr.H.D. Ketwich Verschuur, wiens erven in 1910 de villa verkochten aan de koffiehuishouder Gerrit Regnery sr. Ergens op enig moment in de eigendomsgeschiedenis van de dubbele villa zijn de tweede helften weer in één hand gekomen. Ofschoon niet zeker is wanneer dit precies is geweest, mag aangenomen worden dat het in 1910 moet zijn gebeurd, vlak voordat ze werden herbestemd tot hotel. In 1911 startte Regnery in het pand een hotel-café-restaurant, ‘De Kroon’. Met de verbouwing verloor deze villa als eerste aan de laan haar woonfunctie. De verbouwing was een ontwerp van architect Z.S. Feddema, die de voormalige villa vergrootte met een extra bouwlaag. In 1922 werd aan de voorzijde een door architect E.A.M. Wölcken ontworpen serre toegevoegd, die bij een verbouwing in 1980 is afgebroken. In 1931 volgde opnieuw een uitbreiding. Deze aan de oostzijde (aan de Van Swietenstraat), in een sterk afwijkende stijl uitgevoerde toevoeging was een ontwerp van architect G.A. Heldoorn. In 1963 werd de zuidelijke helft van de villa afgebroken. Architect H. Meek voerde in 1967 een volgende verbouwing van de villa uit. In 1980-’81 is bij een verbouwing tot notariskantoor door Bouwbedrijf Jellema het exterieur zoveel mogelijk gerestaureerd en deels gereconstrueerd, maar is het inwendige gemoderniseerd. Het hoofdvolume van de villa heeft de stilistische kenmerken van het in de negentiende eeuw in zwang zijnde Eclecticisme. De toevoeging van Heldoorn aan de Van Swietenstraat is kenmerkend voor de meer expressionistische architectuur van het Interbellum. De bescherming geldt het casco (exterieur en constructie) en van het interieur alleen de binnenafwerking van de uit 1931 daterende uitbreiding. Exterieur: Het bestaande volume van de vroegere villa is opgetrokken vanuit een nagenoeg vierkante plattegrond en telt drie bouwlagen onder een met geglazuurde, platte Friese pannen met ronde wel gedekt, afgeknot schilddak met geprofileerde gootlijst met bloktandfries en een rechthoekige dakkapel in zowel het westelijke als het noordelijke dakschild. De gevels van de villa zijn van gepleisterde baksteen boven een gepleisterde plint en hebben een asymmetrische indeling. De gevelopeningen zijn getoogd op de eerste en tweede bouwlaag en recht gesloten op de derde bouwlaag. De ramen en deuren zijn alle vernieuwd, maar in oude vorm. De gevels worden verlevendigd door cordonlijsten, schijnvoegen, geprofileerde lijsten en pilasters. Op de eerste verdieping zijn de pilasters voorzien van cannelures en diamantkoppen. De segmentbogen boven de gevelopeningen op de begane grond en de eerste verdieping worden geaccentueerd door decoratieve hoek- en sluitstenen. Deze deuren en vensters zijn bovendien voorzien van een geprofileerde omlijsting. De onderdorpels van de vensters op de eerste verdieping rusten op kleine consoles met acanthusbladeren. De vensters op de beide verdiepingen hebben vernieuwde houten zonweringen voor de bovenramen. De op de Sophialaan gerichte westgevel bestaat uit een vrij brede, twee traveeën tellende risaliet en een smallere travee er links van. De gevelopeningen op de begane grond bevatten openslaande glas-paneeldeuren met bovenramen. De vensters op de tweede verdieping in de risaliet staan niet recht boven de vensters in de bouwlagen eronder. De travee er links van is op de begane grond en de eerste verdieping voorzien van één breed venster met een middenstijl tussen de ramen en op de tweede verdieping van twee smalle vensters. De villa heeft een hoger opgaande, vier bouwlagen tellende afgesnoten hoektravee met de entree in een niet origineel ingangsportaal. Hierin staat de dubbele deur boven een hardstenen stoep en onder een getoogd bovenlicht. Het portaal heeft een plat dak waarop een vernieuwde balustrade van decoratief vormgegeven smeedijzer staat. Het venster op de bovenste, vierde bouwlaag is een tweelicht met getoogde ramen aan weerszijden van een middenstijl onder een overspanningsboog. De ramen staan achter Franse balkonnetjes van smeedijzer. De ingangstravee wordt bekroond door een decoratief vormgeven, smeedijzeren hek. De op de Van Swietenstraat gerichte noordgevel bestaat uit twee delen. De geveldetaillering en de vensters met T-ramen in de gepleisterde gevelpartij van het negentiende-eeuwse volume zijn te vergelijken met die in de westgevel. Dit oudere geveldeel bestaat uit een risaliet (rechts) en een bredere gevelpartij er links van. De gevelindeling is gewijzigd. De risaliet is op de begane grond en de eerste verdieping voorzien van één venster en op de verdieping van twee vensters. In het bredere, gewijzigde linker deel van de gevel zijn de vensters onregelmatig verdeeld. Hier is op de begane grond een entreepartij (het huidige rechter venster) vervangen door een venster en is het linker venster dicht gezet. Een klein venster op de tweede verdieping is eveneens dicht gezet. De links tegen deze gevel staande, uit 1931 daterende aanbouw (trappenhuis) op een langwerpige rechthoekige grondslag is opgetrokken in donkerbruine en zwart geglazuurde baksteen in Hilversums formaat en natuursteen. De muren zijn gemetseld in Noors verband met diepliggende lintvoegen en platvol gevoegde stootvoeg. De op het westen gerichte voorzijde heeft op de begane grond een entreepartij met hardstenen stoepplaat en een onder een betonnen plat dak staand ingangsportaal met een dubbele stalen deur met stalen ramen en een om de hoek gaand stalen zijraam. Daarboven herinnert een aan de gevel bevestigde kroon aan de vroegere functie van het pand en is per verdieping een venster in de gevel opgenomen. Het rechter deel van de zijgevel wordt gekenmerkt door een decoratief gebruik van uitgemetselde baksteen. Boven een uitgemetseld, met een rollaag afgedekt veld staat een drietal hoge, uitgemetselde penanten van geglazuurde baksteen tussen smalle stroken met glas-in-lood in primaire kleuren. De penanten worden aan de onderkant geaccentueerd door een viertal natuurstenen blokken en zijn doorgetrokken tot boven de daklijn, waar ze zijn ingeklemd tussen uit de gevel stekende natuurstenen blokken. In het gevelveld hier links van is, evenals aan de westzijde, per verdieping een venster opgenomen. De achterzijde van de aanbouw bevat een aantal vensters met stalen ramen. Op de begane grond bevindt zich een onder een latei staande gebogen vensterpartij met geometrisch vormgegeven glas-in-lood in de stalen ramen. Interieur: Bij de verbouwing tot notariskantoor is het interieur ingrijpend gewijzigd, behoudens onderdelen in de door Heldoorn ontworpen uitbreiding uit 1931. Dit betreft op de begane grond een marmeren lambrisering in en achter het ingangsportaal, alsmede reeksen glas-in-loodramen. De glas-in-loodramen in de gebogen vensterpartij op de begane grond in de oostgevel staan boven vensterbanken van gepolijste natuursteen. Eén van de glas-in-loodramen in deze aanbouw is een herinneringsraam uit 1936, ter ere van het 25-jarig bestaan van Hotel De Kroon. Ook is in het pand nog een in de oorlog, in Gotische letters op een wand geschreven tekst: ‘Tob niet – ’t komt toch anders’ bewaard gebleven.