Op dinsdag 24 november 1931 komen mijn grootouders genaamd Jan en Dien de Preter met hun 4 kinderen te wonen in dit kleine arbeidershuisje aan de Vecht. De huur is 3,75 cent per week. Hiervoor hebben zij een voor en achterkamertje, een keukentje, een poepdoos (wc) in de schuur buiten het huis, een kelder in de huiskamerkast en twee slaapkamers boven. Mijn opa werkte bij de NS, hierdoor kwam hij in aanmerking voor een volkstuintje waar hij wat groente verbouwde. Vanuit dit huis beleven ze de oorlog, trouwen er kinderen, worden er kleininderen geboren, en helaas sterft hier ook een kleinkind. Een aantal zonen wonen tijdens de woningnood na de oorlog in met hun vrouwen en kinderen. Allemaal in dit kleine huisje. Door de jaren heen, worden verjaardagen en feestdagen gevierd. En lijden de bewoners hun leventje. Bij opa en oma was het altijd gezellig. Je was er welkom en niks en niemand was teveel. Ik zie me zo binnenkomen, vaak stond oma ons al op te wachten in de deuropenig. Het straatje was geschropt en de koperen bel, brievenbus en deurknop glimmend gepoetst want mijn oma was een propere vrouw.
Nadat mijn opa en oma zijn overleden mag de oudste zoon Jan in het huisje blijven wonen. Hij sterft in 2000. Daarna is het huisje de in verkoop gegaan.
Bron: Wilma Cohrs