Tips

Bij het restaureren en verbouwen van historische panden zijn honderden aandachtspunten, valkuilen en tips te bedenken. Isa Finaly, hoofd instandhouding van Vereniging Hendrick de Keyser geeft u tips: van materiaaltechnische tips tot restauratiefilosofische uitgangspunten. Het zijn tips die bij de restauratie van een monument nuttig zijn, maar ook bij het reguliere onderhoud van een historisch pand. 

 

Durf kleur toe te passen

U kunt kleur in oude gebouwen toepassen maar doe het weloverwogen. Vaak zal dit om een bescheiden kleuronderzoek vragen. Historische gebouwen uit middeleeuwen tot en met de 19de eeuw werden vaak gekenmerkt door uitbundig kleurgebruik in zowel interieur als exterieur. De wit- en grijskleurige afwerkingslagen van gevels, hele villa’s en interieurs zijn vaak een door de mode ingegeven keuze uit de 20ste eeuw. Eenvoudig kleuronderzoek bestaat uit het maken van een kleurtrapje, ook wel ‘stratigrafisch onderzoek’ genoemd. Binnen een klein vlak van ca 10 - 30 cm2 worden met een scherp mesje (scalpel) kleine vlakjes verf weg gekrabd, van jong naar oud, waarbij er steeds één extra laagje wordt weg gehaald. Daarmee legt u de opeenvolgende afwerklagen bloot. Het is vervolgens zaak om de kleurige afwerklagen in de juiste relatie tot de architectuur te beoordelen.

Zie ook Info-brochure Techniek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, nr. 25.

Als ramen en gevelhout helemaal kaal geschuurd lijken te zijn, kijkt u dan voor de historische kleuren op onderdelen die niet snel slijten en op moeilijk bereikbare plekken. Kijk eens op de kroonlijst hoog in de gevel of in de bovenhoeken van kozijnen of (in het interieur): achter de belegstukken van schuiframen, etc. Dat zijn de plekken waar de schilder lastiger bij kan komen en die vaak minder goed afgekrabd worden.
 
Nog een paar praktische tips in verband met verf:
 

  • Na het schilderwerk hebben verfblikken vaak onleesbaar etiket. Schrijf op de halfvolle verfpotten met watervaste stift hetkleurnummer, de ruimte waar de kleur is toegepast en datum/jaar van gebruik.

  • Goede verf voor kalkhoudende ondergronden is de veegvaste muurverf (op kalkbasis) Deze verf is erg goedkoop. Pas op met Latex-verf (bevat plastic-achtige stoffen). Breng deze verf nooit aan op kalkhoudende gestucte ondergrond waar kalkverf op zit. Gebruik ook geen verf op oliebasis over kalkverven heen. Deze zuigen zich ín de kalkverf en als u de Latex of olieverf wilt verwijderen dan trekt u ook de kalkhoudende stuclaag of kalkhoudende verflaag mee. Een goede schilder ziet of er latexverf of olieverf is toegepast

Terug naar boven

 
Alleen voor de lange termijn

Probeer te bedenken of de ingreep die u wilt doen van belang is voor het gebouw op de lange termijn of alleen voor het huidige gebruik, en of ze de structuur van het monument respecteren.

Het is bijvoorbeeld wél acceptabel om een wc in een monument maken maar níet om een kamer-en-suite in een grachtenpand uit te breken om een grote restaurantzaal te krijgen. Ook met het aanbrengen van een extra trappenhuis of een lift in een historisch huis zal de structuur van het pand al snel geweld worden aangedaan.

Als er toch noodzakelijk is een ingreep van tijdelijke aard aan te brengen, probeer het dan reversibel te maken. De ingreep moet weer eenvoudig kunnen worden verwijderd zonder de monumentale waarden aan te tasten. Zo kan bv een badkamer op een zolderverdieping worden aangebracht als een ‘los doosje’ binnen de structuur.
 

Terug naar boven

 

Monumentale waarde moet zichzelf beschermen

De monumentale kwaliteiten zouden zó duidelijk moeten zijn dat niemand het in zijn hoofd zal halen om die kwaliteiten aan te tasten. Dat lijkt simpel voor imposante monumentwaarden zoals stijlkamers met goudleerbehang of een 17de-eeuwse balklaag met versierde sleutelstukken, maar het geldt ook voor kleine of schijnbaar ondergeschikte monumentwaarden zoals het restant van een bedstee of een vroeg 20ste eeuwse paneeldeur met origineel hang- en sluitwerk.
 
Bedenk dat een rampzalig uitziend historisch stucplafond zichzelf minder goed beschermt tegen een onwetende eigenaar of sloopgrage aannemer dan een gerestaureerd plafond.


 

Terug naar boven

 

Niet direct beginnen

Ga met uw verbouwing niet over één nacht ijs, maar neem de tijd. Uw monument zit niet te wachten op de snelste restauratie of verbouwing, maar op de meest duurzame.

Probeer uw pand goed in de vingers te krijgen: doe onderzoek in het bouwarchief van uw gemeente of provincie. U kunt ook zoeken in het archief van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, zij hebben ook veel informatie over niet-rijksmonumenten en onderzoek het pand zelf. Er zijn monumenteigenaren die u aanraden om eerst een tijd in het pand te gaan wonen. U leert het pand zo goed kennen. 

Goed onderzoek en een periode voor reflectie op het plan verdienen zich terug, omdat men daardoor voor minder verrassingen komt te staan. Een goede adviseur in of restauratiearchitect kan u helpen bij het doen van onderzoek, de voorbereiding en uitvoering van restauraties en verbouwingen. De kans op  onverwachte vondsten en niet herkende bouwkundige gebreken wordt minder doordat u met een goed restauratieplan minder kans heeft op tegenvallers, zowel financieel als in tijd.

Hoe goed uw voorbereidingen ook zijn, bij het restaureren of verbouwen van een monument kunt u nooit alles van tevoren weten. Het is dan ook zeker geen schande, maar juist verstandig, om tijdens het proces uw plan bij te stellen naar aanleiding van een vondst of het bekende voortschrijdend inzicht.

Terug naar boven
 

 

Geen kruiskopschroeven gebruiken

In de bouw is een leven zonder kruiskopschroef nauwelijks meer voorstellen. Iedereen die wel eens een gipsplaat heeft bevestigd weet hoe handig ze zijn. Toch is het een relatief jonge uitvinding. De kruiskopschroef is begin jaren 1930 bedacht door de Amerikaan John P. Thompson maar het lukte deze Thompson niet om fabrikanten te vinden die de schroef in productie wilden nemen. De Amerikaan Henry F. Phillips (1890-1958) kocht het idee van Thompson, verbeterde het concept en pas in 1936 werd de kruiskopschroef (“the Phillipshead”) door hem gepatenteerd.

Terug naar boven

 

Gevels voegen en metselen met kalkmortels

In het algemeen geldt: zoek de voeg- en metselmortel die qua fysieke en esthetische eigenschappen het beste aansluit bij de omgeving, de baksteen. De meeste historische gebouwen, zeker woonhuizen van vóór 1900, zijn gemetseld, gevoegd en gepleisterd met kalkmortels. Dit zijn mortels waarin kalk het bindmiddel is (en zand het toeslagmiddel). Bij cementmortels is cement het bindmiddel.

Voordelen van kalk zijn:

  • de grotere elasticiteit en vervormingscapaciteit: kalkmortels kunnen langer vervormingen in het metselwerk ‘opnemen’ en scheuren minder snel dan cementmortels.
  • door de open poriënstructuur van kalk is de waterdampdoorlaatbaarheid groter dan bij cementmortels, wel twee keer zo groot.
  • kalk bestaat uit fijnere deeltjes, waardoor de watervasthoudendheid groter is dan bij een cementmortel.
  • kalk heeft een grotere plasticiteit, waardoor met de blote hand hanteerbaar is dan bij een cementmortel.

Door deze eigenschappen is een kalkvoeg altijd zachter dan of even zacht als de omringende baksteen. Dat is een waardevolle eigenschap bij buitenmuren. Die moeten immers veel vocht kunnen transporteren: van binnen naar buiten en van buiten naar buiten (regen). Vochttransport vindt plaats via de weg van de minste weerstand: in geval van kalkmortel is dat de voeg. Kalkvoegen nemen eenvoudig vocht op en kunnen het ook weer snel afstaan. En als er een keer iets kapot vriest is het de voeg en niet de baksteen, want die neemt minder snel vocht op.

Bij een cementvoeg is de baksteen vaak het zachtste en meest poreuze onderdeel. Gevolg: de baksteen neemt het vocht op en kan het niet door de voegen verder transporteren. Daarom moet het vocht ook weer via de baksteen uitdampen. Als het vriest kan de steen gemakkelijker kapot vriezen (afgeschilferde bakstenen).  Cementmortels worden door metselaars graag toegepast omdat je er sneller mee kunt bouwen en omdat ze beter waterdicht zijn wat juist een probleem is bij ‘zachte bakstenen’. Cementmortels kun je alleen toepassen bij harde baksteen. Bij twijfel over de hardheid van de steen geldt de regel: zachte kalkvoeg aanbrengen.

Zie ook: Info-brochure Techniek van de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, nr. 37 en nr. 2

Terug naar boven


 

Pas op met voorzetwanden

Voorzetwanden plaatsen vóór oude buitenmuren die geen spouw hebben is vragen om ellende voor houten balkkoppen én een camouflage van de ellende die is veroorzaakt. Door het plaatsen van voorzetwanden wordt de buitenmuur relatief kouder en de binnenwand warmer. Het dauwpunt verplaatst daardoor meer naar binnen toe. Het vochttransport van binnen naar buiten verandert daardoor: het vocht condenseert niet meer in het buitenste gedeelte van de buitenmuur (waarna het naar buiten uitdampt), maar zal meer naar binnen condenseren. En dat is ook de plek waar de balklaag in de muur ligt. De houten balkkoppen zijn materiaaltechnisch gezien in combinatie met vocht het zwakste onderdeel. Als het hout het vocht niet snel kan afstaan krijgen houtaantastende schimmels een kans om te groeien (bv bruinrot) en rotten de balken in. Dit proces begint bij de balkkoppen. Verrotte balkkoppen moeten natuurlijk worden hersteld: als ze in hout worden aangeheeld dan is het verstandig om de balkkop aan vier van de vijf zijden vrij te leggen van het omringende metselwerk i.v.m. ventilatie.

Let ook op ventilatieroostertjes in de gevel: deze zitten er niet voor niks. Bedenk dat wat wij tegenwoordig als ‘tocht’ aanmerken door de bouwkundige als ‘ventilatie’ is bedacht.

Als het toch nodig is om een voorzetwand voor de buitenmuur te plaatsen, zorg er dan voor dat er een dampdichte folie tussen de gipsplaat/voorzetwand en het isolatiemateriaal zit en dat er ventilatiemogelijkheden zijn tussen het isolatiemateriaal en de buitenmuur.

Terug naar boven

 

Boor in het historisch minst kwetsbare materiaal

Het minst historisch is het materiaal dat het gemakkelijkste is te vervangen en minder waardevol is.

  • Voor het bevestigen van een naamplaatje of huisnummerplaatje op de voorgevel boort u de gaatjes in de voeg, niet in de baksteen.
  • Hetzelfde geldt voor het bevestigen van elektraleidingen voor straatlantaarns, het bevestigen van een regenpijp aan de gevel, etc.
  • Bij natuursteen geldt: 1 x gaatjes boren en vervolgens zou iedere volgende gebruiker díe gaatjes moeten hergebruiken.
  • Bij tegelwerk in het interieur boort u bij een brede voeg gaatjes in de voeg. Bij een smalle voeg en weliswaar historische, maar niet zeldzame, tegels zoals ‘witjes’ boort u midden in de tegel . Er wordt dan maar één i.p.v. twee tegels beschadigd. En in figuratief tegelwerk: niet boren of in een reeds beschadigde tegel.

Terug naar boven

 

Handhaaf monumentale vloeren

Veel monumentbewoners willen een visgraatparket op de vloer. Toch is dat niet altijd ‘passend’. Bij de toepassing van vloeren is het van belang aan te sluiten bij:

  •  het type gebouw dat men heeft
  • de functie van de ruimte
  • de ouderdom van het gebouw en de ruimte

Het type gebouw

In scholen en fabrieken, maar ook in raadhuizen en winkels komen vaak steenachtige vloeren voor, van plavuizen en tegels tot betonvloeren. In stalgebouwen stenen en klinkertjes.
In pakhuizen, arbeidershuisjes, boerderijen zijn houten planken vloeren meestal direct op de balklaag bevestigd en historische woonhuizen (vanaf laat 18de, maar vooral vanaf 19de eeuw) hebben vaak een houten ondervloer (grenen of vuren) die op de balklaag werd bevestigd met daar bovenop een mooie dekvloer, bv parket, of een andere afdekking, bv een groot karpet.

De functie

Ook is de functie van de ruimte bepalend voor de vloerafwerking. In keukens en gangen werden vaak plavuizen, tegels of granito toegepast, in woonvertrekken vaak hout (planken, grenen delen, vuren ondervloer met parket of plankenvloer met karpet) en in kelders plavuizen.

De ouderdom

Bij de keuze van een vloer is ook de ouderdom van het pand van belang: als in een deftig 18de eeuws huis de gangvloer teniet is gegaan, zal men in het algemeen géén granito vloer moeten aanleggen maar eerder een marmeren vloer. En in een 19de eeuws arbeidershuisje kan geen gewapende betonvloer liggen.

Bij het toepassen van houten vloeren wordt de grootste schade in de regel aangericht door:

  • vocht (lekkende radiator)
  • warmte in combinatie met droogte (een bevochtiger biedt uitkomst)
  • insecten (bij te veel vocht in combinatie met warmte) en
  • krassende voorwerpen (vervang de viltnopjes regelmatig)

Zie ook de Info-brochures Techniek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, nr. 23, 26 en 49.

Terug naar boven

 

Dakgoten schoonmaken

Vergeet niet minstens 2 x per jaar de dakgoten te controleren en schoon te maken.  Als er bomen in de buurt staan, moet het vaker. En controleer bij een flinke regenbui ook eens alle hoeken en gaten van de zolder.

Bij slecht bereikbare dakgoten of dakgoten met een wat lage achteropstand  is het verstandig om een waarschuwingssysteem in te bouwen. Een achteropstand is  de kant waar de dakgoot aan het dakvlak grenst en waar de gootbekleding minstens 3 cm hoger moet zijn dan aan de buitenkant. Het plaatsen van een waarschuwingssysteem is eenvoudig. De dakgoot helt licht naar één of meer regenpijpen. Plaats in de dakgoot vlakbij de regenpijp:

  • een spuwertje: een gesoldeerd pijpje bovenin de dakgoot
  • vergaarbak met spuwer
  • een verklikker: een kleine V-vormige inkeping in de kopse kant van de goot waar het water als eerste overheen gaat stromen

Als de regenpijp verstopt is zal het water door het spuwertje naar buiten gutsen en wordt de bewoner gewaarschuwd. Spuwers en verklikkers moeten dus op plaatsen zitten waar de bewoner het euvel ook kan zien, bv aan de voorgevel of zelfs bij de voordeur!

Zie ook de Info-brochure Techniek van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, nr. 35.

 Terug naar boven

    Close
    Close

    Aanmelden op monumenten.nl

    - Wachtwoord vergeten

    Aanmelden

    Nog geen lid van monumenten.nl?
    Meld je snel aan en deel je mening met de rest van de gemeenschap.

    Close
    Close